ECLI:NL:RVS:2013:987
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na onvoldoende bewijs vooraanstaande rol demonstraties
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister opnieuw moest beslissen. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister niet had voldaan aan de vereisten van artikel 31, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 met betrekking tot de bewijsvoering en motivatie. De Raad bevestigde dat de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig worden geacht, tenzij er omstandigheden zijn die dat tegenspreken. De minister had voldoende gemotiveerd dat de vreemdeling geen vooraanstaande rol had bij demonstraties in Sulaimanya, mede omdat hij geen documenten had overgelegd ter ondersteuning.
Verder oordeelde de Raad dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer vervolging of een reëel risico daarop loopt, ondanks verwijzing naar het Amnesty International rapport en verklaringen over mogelijke arrestaties. De Raad verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.