ECLI:NL:RVS:2013:BY8232
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende gezinsband bij aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van het feit dat zij gehuwd zou zijn met een referent die een verblijfsvergunning asiel had. De minister wees de aanvraag af omdat de vreemdeling en referent tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over essentiële feiten, zoals de datum van een moord op een collega van de vader van de referent, gebeurtenissen op de huwelijksdag en de werkzaamheden van de referent.
De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister zich terecht op het standpunt had gesteld dat de gezinsband onvoldoende was aangetoond vanwege de tegenstrijdigheden in de verklaringen.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee werd bevestigd dat de vreemdeling niet voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een mvv op grond van gezinshereniging met de referent.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van het huwelijk en gezinsband.