Uitspraak
200903989/1/H3niet heeft uiteengezet waarom de persoonlijke beleidsopvattingen van de betrokken ambtenaren niet in niet tot hen te herleiden vorm openbaar hadden kunnen worden gemaakt als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wob.
200903989/1/H3, een oordeel gegeven over het ook toen door [appellant] gedane beroep op het beginsel van een eerlijk proces. Zij heeft daarover onder meer overwogen dat om praktische redenen in de door de Afdeling toepaste Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 is bepaald dat in zaken waarin een bestuursorgaan de openbaarmaking van documenten op grond van de Wob heeft geweigerd steeds wordt gehandeld alsof een mededeling als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb is gedaan en de Afdeling heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Artikel 13 van Pro de Procesregeling heeft een zelfde doel en strekking. De uitspraak van de Afdeling is voor partijen bindend en de daarin gedane oordelen kunnen niet opnieuw ter discussie worden gesteld. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank thans had moeten afwijken van de in de procesregeling gegeven procedure.
200105270/1) volgt hieruit dat een verzoek geen betrekking kan hebben op na dat verzoek vervaardigde documenten. De lengte van de procedure maakt dat niet anders. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht de na het indienen van het verzoek vervaardigde documenten niet heeft betrokken bij het besluit op bezwaar van 31 januari 2011.
200904869/1/H3). De Afdeling zal dat hierna beoordelen.
200906961/1/H3) moet in beginsel per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, maar kan daarvan worden afgezien indien dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich deze situatie hier voor en heeft de staatssecretaris kunnen volstaan met een algemene motivering van de toegepaste weigeringsgrond.
200900112/1/H3) is de beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken aan het bestuursorgaan. Indien het op basis van zijn discretionaire bevoegdheid, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, besluit om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken, mag het dit slechts in tot personen herleidbare vorm doen indien de betrokkene daarmee heeft ingestemd. Dat neemt evenwel niet weg dat het bestuursorgaan, dat verantwoordelijk is voor de betrokken bestuursvoering, bevoegd is om, los van de bereidheid van betrokkenen om in te stemmen met openbaarmaking, de informatie niet te verschaffen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 38).