Uitspraak
200802724/1, 14 december 2010 in zaak nr. 201008595/2/H1 en 8 juni 2011 in zaak nr. 201008595/3/H1 van de Afdeling overwogen dat in rechte vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op het perceel mogen alleen bijgebouwen worden opgericht en de voertuigstalling is dat niet. De andersluidende conclusie in het rapport van Oranjewoud kan hieraan niet afdoen.
200802724/1, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan een gemaakte fout moet kunnen herstellen, en het college in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door vrijstelling te weigeren voor de vergroting van de stalling.
200802629/1) moet de vraag of een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).