Uitspraak
201202161/1/R1, behandeld op 24 oktober 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. L.D.H. Hamer, advocaat te Amsterdam, [appellanten], bijgestaan door mr. S. Essakkili, en het college, vertegenwoordigd door C.J. Spolders, Th.H.M. Silven, A.S.M. Hoekstra en C, Wals, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is verschenen [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. X. Visscher, advocaat te Alkmaar en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
201202161/1/R1, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, de door [appellant] en de Stichting tegen dat vaststellingsbesluit ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologische kader voor de ontwikkeling van (onder meer) het bouwplan waarop de vrijstelling betrekking heeft en is de titel voor de ruimtelijke ingreep waartegen [appellant] en de Stichting zich richten. Thans kan het bouwplan zonder vrijstelling worden gerealiseerd. Omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een belang bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de vrijstelling kan worden aangenomen, moet gelet op het vorenstaande worden geoordeeld dat [appellant] en de Stichting in zoverre geen belang hebben bij een beoordeling van die uitspraak.
201010192/1/H1 en 201010192/2/H1) toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Gelet op de bereidheid van het college om vrijstelling te verlenen voor de gekozen situering ten opzichte van de omliggende percelen en de maatvoering van het gebouw, dienden deze situering en maatvoering bij de welstandstoets te worden gerespecteerd en kon daarin geen grond zijn gelegen voor een negatief welstandsoordeel. De welstandscommissie heeft, voor zover thans van belang, geconcludeerd dat het bouwplan wat betreft de architectonische uitwerking eigen expressie toont, hetgeen mogelijk is overeenkomstig de Welstandsnota en voldoet aan redelijke eisen van welstand.