Uitspraak
201007835/1/H3is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.
Raad van State
BSMR verzocht DNB om openbaarmaking van vergunningaanvragen en dossiers op grond van de Wob. DNB weigerde dit, stellende dat zij op grond van de Bankwet 1998 en de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) is uitgezonderd van de Wob. De rechtbank oordeelde dat DNB niet als bestuursorgaan in de zin van de Wob kon worden aangemerkt voor de gevraagde informatie en verklaarde het bezwaar van BSMR ten onrechte niet-ontvankelijk.
BSMR stelde dat het toezicht van DNB op grond van de Wtt niet onder de Bankwet valt en dat DNB geen financiële instelling is. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde echter dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB zoals genoemd in de Bankwet 1998 en dat trustkantoren als financiële instellingen worden aangemerkt.
Daarmee is DNB voor de gevraagde documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob uitgezonderd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van BSMR ongegrond verklaarde en het besluit van DNB vernietigde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.