Uitspraak
201101494/1/H1, waarin is geoordeeld dat, voor zover het de gezondheidsrisico’s van UMTS-straling bij woonbebouwing betreft, aansluiting mag worden gezocht bij het standpunt van de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven om te oordelen dat UMTS-masten niet bij woonbebouwing mogen worden opgericht. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat er geen aanwijzingen bestaan dat KPN gebruik maakt van apparatuur die niet voldoet aan de normen, waaronder de blootstellingslimieten, zoals die zijn vermeld in de nota "Nationaal Antennebeleid" van 12 december 2000 van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (Kamerstukken II, 2000/01, 27 561, nr 2, blz. 20). Intertrade en anderen hebben niet weersproken dat de apparatuur van KPN aan deze normen voldoet. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat er ook thans geen sterke wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat elektromagnetische velden van antenne-installaties ernstige effecten op de gezondheid hebben, zolang voorgenoemde blootstellingslimieten niet worden overschreden. Dat door deskundigen is geconstateerd dat de huidige normen voor bescherming tegen niet-ioniserende straling tekort schieten, zoals Intertrade en anderen betogen, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. De rechtbank heeft voorts in het betoog van Intertrade en anderen dat steeds meer gemeenten terughoudend zijn bij het verlenen van vergunningen voor telecommunicatiemasten terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college in dit geval gehouden was om de aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren.