Uitspraak
200206477/1) blijkt uit de memorie van toelichting bij de Monumentenwet (oud), die voor de inwerkingtreding van de Monumentenwet 1988 een regeling bevatte met betrekking tot beschermde stads- en dorpsgezichten, dat het niet de bedoeling was stads- en dorpsgezichten door de bescherming te "bevriezen" in de toestand waarin zij zich bevonden op het moment van aanwijzen. Volgens de memorie van toelichting moet het streven erop gericht zijn dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen slechts geschieden op een zodanige wijze dat het beschermenswaardige aspect van het geheel niet, of althans zo weinig mogelijk, schade lijdt. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Monumentenwet 1988 kan niet worden afgeleid dat met deze wet is beoogd om op dit uitgangspunt terug te komen.