Uitspraak
201100211/1/H2heeft laten weten dat ten onrechte uitgekeerde steun wordt teruggevorderd en in mindering zal worden gebracht op toekomstige heffingen. De heffingsbesluiten en de steunbesluiten kunnen derhalve niet los van elkaar worden gezien, aldus de in bijlage 1 vermelde corporaties.
201100211/1/H2(overweging 2.6.2), is tussen de heffingsbesluiten en de steunbesluiten een dwingend bestemmingsverband aanwezig, in die zin dat de opbrengst van de bijzondere bijdrageheffing uitsluitend en volledig bestemd is voor de financiering van de bijzondere projectsteun ten behoeve van de wijkenaanpak en derhalve de bijzondere bijdrageheffing integrerend onderdeel uitmaakt van de in het Gewijzigde BCFV vervatte steunmaatregelen. De Afdeling baseerde zich daarbij onder andere op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof van Justitie) van 13 januari 2005, C-174/02, punten 25 en 26, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (www.curia.europa.eu). Naar het oordeel van de Afdeling maakt de vaststelling dat een dwingend bestemmingsverband aanwezig is de betalende corporaties evenwel niet rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de steunbesluiten. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Het Fonds verstrekt ingevolge artikel 2, tweede lid, van het BCFV subsidie aan corporaties ter tegemoetkoming van de kosten van werkzaamheden welke in het belang van de volkshuisvesting door die corporaties worden uitgevoerd in het kader van de wijkenaanpak. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder c, bestaat de door de betalende corporaties aan het Fonds verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet onder meer uit een bedrag ten behoeve van het verstrekken van die subsidies. Nu de door de betalende corporaties betaalde bijdragen via het Fonds worden verstrekt, kan evenwel niet worden nagegaan bij welke individuele steunontvangende corporaties de bijdrage van een individuele betalende corporatie terecht is gekomen. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, er een aantal relevante schakels zit tussen de heffingen en de steunbesluiten. Een corporatie die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere projectsteun dient daartoe ingevolge artikel 2, tweede lid, van de BCFV een aanvraag in te dienen bij het Fonds. In de Aanvullende beleidsregels 2008 van het Fonds (blz. 10-11) is vermeld dat het Fonds de aanvragen aan de hand van een aantal criteria beoordeelt. Hieruit volgt dat, naar de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, heffing niet zonder meer tot steunverlening leidt. Gelet op het vorenstaande kan dan ook niet worden staande gehouden dat de financiële belangen van de betalende corporaties rechtstreeks zijn betrokken bij de steunbesluiten in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb.
201006774/1/H2), kan een derde op grond van zijn concurrentiepositie als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening worden aangemerkt indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Daarbij kan worden meegewogen dat de met subsidie ondersteunde bedrijfsactiviteiten kunnen leiden tot omzetverlies bij de derde. Voorts kunnen ook potentiële concurrenten als belanghebbende worden aangemerkt indien zij concrete plannen hebben en zijn begonnen met de uitvoering daarvan.
201100211/1/H2.
201100211/1/H2. Zij wijzen erop dat de Afdeling in die uitspraak onder meer heeft beoordeeld of de bijzondere projectsteun voor 2008 en 2009 voldoet aan de criteria, opgenomen in de beschikking van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel 86, tweede lid, van het EG-verdrag (thans artikel 106, tweede lid, van het VWEU) op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PB 2005 L 312) (de DAEB-beschikking). De in bijlage 2 vermelde corporaties wijzen er voorts op dat de Afdeling bij die beoordeling heeft betrokken dat in de subsidiebesluiten aan de corporaties die in de jaren 2008 en 2009 bijzondere projectsteun ontvangen onder meer de verplichting is opgelegd dat de eindafrekening tevens bestaat uit een verslag waarin wordt verantwoord dat - voor zover relevant - de besteding van de subsidie voldoet aan de in de beschikking van de Commissie van 15 december 2009 (C(2009)9963; www.ec.europa.eu) gestelde kaders. Volgens de in bijlage 2 vermelde corporaties betekent dit, dat zij te gelegener tijd zouden moeten kunnen opkomen tegen de eindafrekeningen en in die procedures aan de orde moeten kunnen stellen dat de aan een individuele corporatie toegekende bijzondere projectsteun niet in overeenstemming met de beschikking van de Commissie van 15 december 2009 is besteed. Nu inmiddels is komen vast te staan dat de eindafrekeningen slechts een bevestiging van de subsidieverlening zijn, waartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, moeten de steunbesluiten worden beschouwd als vaststellingsbesluiten in de zin van artikel 4:42 van Pro de Awb. De corporaties betogen dat uit het beginsel van Unietrouw voortvloeit dat zij bij de bestuursrechter tegen deze besluiten moeten kunnen opkomen, om de volle werking van het staatssteunrecht te verzekeren. Gelet hierop moeten zij als belanghebbenden bij de steunbesluiten worden aangemerkt, aldus de in bijlage 2 vermelde corporaties.
201100211/1/H2heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de verlening van de bijzondere projectsteun niet in strijd is met de Europese staatssteunregels. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door de corporaties aangehaalde uitspraak waarin zij heeft geoordeeld dat de steunmaatregelen verboden staatssteun inhouden. Het betoog faalt in zoverre.