Art. 2 Verordening Leerlingenvervoer gemeente Den HaagArt. 3 Verordening Leerlingenvervoer gemeente Den HaagArt. 11 Verordening Leerlingenvervoer gemeente Den HaagArt. 31 Verordening Leerlingenvervoer gemeente Den Haag
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vergoeding vervoerskosten voor hoogbegaafde leerling naar niet dichtstbijzijnde school
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees het verzoek van appellant om vergoeding van vervoerskosten voor zijn hoogbegaafde zoon af, omdat de bezochte school, De Piramide, niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is en er geen bijzondere omstandigheden zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat uit een psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de zoon ook passend onderwijs kan volgen aan scholen dichterbij via plus- of verrijkingsklassen. Appellant stelde in hoger beroep dat alleen De Piramide structureel passend onderwijs biedt, maar dit werd verworpen omdat andere scholen ook passend onderwijs bieden.
De Raad van State oordeelde dat het college en de rechtbank terecht hebben geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van de verordening. De stelling dat ouders van hoogbegaafde leerlingen recht hebben op vergoeding indien de dichtstbijzijnde school geen passend onderwijs biedt, faalt omdat andere scholen wel passend onderwijs bieden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van vergoeding van vervoerskosten bevestigd.
Uitspraak
201205063/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2012 in zaak nr. 11/9691 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van de vervoerskosten van zijn [zoon] voor het schooljaar 2010-2011 afgewezen.
Bij besluit van 16 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.R.H. Boasman-Trustfull, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Nanda-Mangon, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Den Haag (hierna: de Verordening), verstrekt het college ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten met inachtneming van het bepaalde in de Verordening.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt bekostiging van de vervoerskosten toegekend over de afstand tussen de school dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.
Ingevolge artikel 31 kanPro het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in de Verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.
2. De zoon van [appellant], die hoogbegaafd is, bezoekt de school de Piramide. De Piramide biedt zogenoemd Leonardo-onderwijs, dat is toegesneden op hoogbegaafde kinderen. De Piramide is gelegen op meer dan zes kilometer afstand van de woning van [appellant].
Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat De Piramide niet de voor [zoon] dichtstbijzijnde toegankelijke school is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden.
De rechtbank heeft het standpunt van het college gevolgd.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat De Piramide de dichtstbijzijnde, toegankelijke school met een passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen is en dat de door het college voorgestelde scholen voor [zoon] niet geschikt zijn, omdat zij geen structureel passend aanbod voor hem hebben.
3.1. De rechtbank heeft haar oordeel mede gebaseerd op het verslag van een psychodiagnostisch onderzoek van [zoon], dat door een ontwikkelingspsychologe van de organisatie Kind in Evenwicht en Warmte (hierna: KIEW) is opgesteld. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit dit verslag niet blijkt dat alleen De Piramide structureel passend onderwijs aan [zoon] kan bieden, aangezien hij volgens het verslag ook aan een zogenoemde ‘plusklas’ kan deelnemen of in een verrijkingsklas kan meedraaien. Nu dit onderwijs op verschillende scholen die dichterbij de woning van [appellant] zijn gelegen dan De Piramide wordt aangeboden, en deze scholen voor [zoon] toegankelijk zijn, hetgeen door [appellant] in hoger beroep niet is betwist, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden en dat het college terecht het verzoek om vergoeding van de vervoerskosten heeft afgewezen.
Dat De Piramide de beste oplossing voor [zoon] zou zijn, zoals [appellant] onder verwijzing naar een brief van KIEW van 20 mei 2012 stelt, maakt het voorgaande niet anders, nu dit niet betekent dat andere scholen [zoon] geen structureel passend onderwijs kunnen bieden.
Ook de stelling van [appellant], dat uit een brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer volgt dat ouders van hoogbegaafde leerlingen voor vergoeding van vervoerskosten in aanmerking komen indien de dichtstbijzijnde basisschool geen passend onderwijs aan de leerling kan bieden, kan om die reden niet slagen.
4. Voor zover [appellant] verwijst naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd, is de rechtbank daarop gemotiveerd ingegaan. Nu hij niet aanvoert waarom de betrokken overwegingen van de rechtbank onjuist zijn, faalt het betoog in zoverre.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.