Uitspraak
201102274/1/H2) komt, gelet op de systematiek van de Wrb en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 34e van de Wrb (Kamerstukken II 2003-2004, 29 685, nr. 3, blz. 6 en blz. 25), aan een aanvraag om peiljaarverlegging zelfstandige betekenis toe en kan die aanvraag niet worden vereenzelvigd met het maken van bezwaar. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Indien een aanvraag om een toevoeging wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan de inkomenseis, kan zowel bezwaar worden gemaakt tegen die afwijzing als een aanvraag om peiljaarverlegging worden gedaan. Zo’n aanvraag moet zijn vervat in een daarop gericht schriftelijk verzoek. Indien dit uit de bewoordingen daarvan blijkt, kan dit verzoek ook worden geacht te zijn gedaan bij het bezwaarschrift tegen de weigering van de gevraagde toevoeging. Het bezwaar van [appellante] van 15 april 2011 bevat geen gronden, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat [appellante] een aanvraag om peiljaarverlegging heeft gedaan.
200903938/1/H2) is de in artikel 34c, derde lid gestelde termijn een termijn van openbare orde met een fataal karakter. Dat, als gesteld, de raad in het verleden dergelijke aanvragen inhoudelijk heeft behandeld maakt, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, niet dat de raad thans in strijd met artikel 34c van de Wrb de aanvraag inhoudelijk moest beoordelen. Aan de door [appellante] overgelegde publicatie kan niet de betekenis worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien. Daarin is slechts een uitleg gegeven van de verschillende mogelijkheden die een rechtzoekende heeft bij de afwijzing van een toevoeging op financiële gronden.