Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt in grief 4 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de onrechtmatige binnentreding en de daaropvolgende staandehouding de bewaring niet onrechtmatig maakt, omdat de belangen van de bewaring in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
Daartoe voert de vreemdeling onder meer aan dat zij het binnentreden van haar kamer door opsporingsambtenaren met behulp van een medewerker van de Centrale Opvang Asielzoekers (hierna: de COA), terwijl zij lag te slapen, als zeer bedreigend heeft ervaren.
Gelet hierop had de rechtbank de belangenafweging in haar voordeel moeten laten uitvallen, aldus de vreemdeling.
1.1. Vast staat dat het binnentreden van de woning van de vreemdeling en de daaropvolgende staandehouding onrechtmatig zijn geweest.
1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
1.3. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 12 december 2012 staat, voor zover thans van belang, vermeld:
"Van de DT&V een verzoek gekregen om betrokkene staande te houden in verband met removal order naar Nairobi. Betrokkene verblijft in het AZC […] te Alkmaar. Nadat een medewerker van de COA had aangeklopt bij het betreffende appartement, werd er niet opengedaan. De medewerker van de COA opende vervolgens de deur van het appartement. Vervolgens klopte verbalisant […] aan bij de kamer van betrokkene. Wij verbalisanten zagen dat betrokkene in bed lag te slapen. Op geroep van verbalisanten werd betrokkene wakker. (…)"
1.4. Uit voormeld proces-verbaal blijkt dat sprake is van een ernstig gebrek. De vreemdeling is tijdens haar nachtrust van haar bed gelicht om haar staande te houden.
De staatssecretaris heeft geen zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van het binnentreden en de daaropvolgende staandehouding van de vreemdeling geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bewaring. De omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan de inbewaringstelling geven daar evenmin blijk van. De enkele omstandigheid dat voor de vreemdeling een removal order beschikbaar was en zij bij een mogelijke afwijzing van haar asielaanvraag op korte termijn zou kunnen worden uitgezet is op zichzelf niet toereikend om het geconstateerde ernstige gebrek te passeren.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 12 december 2012 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient met ingang van heden te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden schadevergoeding toegekend over de periode van 12 december 2012 tot 1 februari 2013, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.