ECLI:NL:RVS:2013:BZ2523

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
201206034/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing nadeelcompensatie wegens herinrichting voormalig staatsdrukkerijterrein

De besloten vennootschap Horeca Centrum de Randsteden B.V. verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om nadeelcompensatie wegens omzetverlies door werkzaamheden en herontwikkeling op het voormalige staatsdrukkerijterrein. Het college wees dit verzoek af, waarna De Randsteden bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde het besluit van het college, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Randsteden stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onjuiste feiten had vastgesteld omtrent de eigendom van De Randsteden en dat het college ten onrechte had aangenomen dat de aandelenovername per 1 januari 2000 direct betrekking had op De Randsteden. Dit onderdeel van het hoger beroep werd gegrond verklaard. Vervolgens behandelde de Raad de overige beroepsgronden die de rechtbank niet had beoordeeld.

De Raad concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor een oorzakelijk verband tussen de besluiten van het college en de door De Randsteden gestelde schade. Het rapport van Crawford gaf slechts een temporele samenloop aan zonder een causaal verband vast te stellen. Ook had De Randsteden niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Daarom was de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie terecht.

De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, maar vernietigde niet het bestreden uitspraak van de rechtbank. Het college werd gelast het betaalde griffierecht aan De Randsteden te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om nadeelcompensatie van De Randsteden wordt terecht afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

Uitspraak

201206034/1/A2.
Datum uitspraak: 27 februari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horeca Centrum de Randsteden B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2012 in zaak nr. 10/7241 in het geding tussen:
De Randsteden
en
het college van burgemeester en wethouders van den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2009 heeft het college een verzoek om nadeelcompensatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horecacentrum Elmes BV, thans De Randsteden, afgewezen.
Bij besluit van 6 september 2010 heeft het college het door Elmes B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de rechtbank het door De Randsteden daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2010 vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft De Randsteden hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2013, waar De Randsteden, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Wassenburg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De Randsteden exploiteerde ten tijde hier van belang op het adres Christoffel Plantijnstraat 245 te Den Haag een zelfbedieningswinkel in horecabenodigdheden. Zij heeft bij brief van 9 maart 2007, aangevuld bij brief van 21 december 2007, het college verzocht om nadeelcompensatie voor schade ten gevolge van door het college verleende vergunningen voor de sloop van tegenover haar winkel gelegen gebouwen op het terrein van de Staatsdrukkerij aan de Christoffel Plantijnstraat en de Willem Silviusstraat (hierna: het voormalige staatsdrukkerijterrein), de herontwikkeling van dit terrein en werkzaamheden aan de riolering in onder meer de Pletterijstraat, de Scheldestraat en de Christoffel Plantijnstraat, alsmede daarmee gepaard gaande opslag van bouwmaterialen en rioleringsbuizen, verkeersomleidingen en wegafsluitingen. De bereikbaarheid van haar winkel is hierdoor ernstig belemmerd geweest en zij heeft veel hinder ondervonden van bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen stofwolken. Volgens De Randsteden heeft zij hierdoor in de jaren 2004 tot en met 2007 schade geleden, omdat leveranciers hiervan extra oponthoud ondervonden en klanten hierdoor wegbleven.
2.    Het college heeft aan het besluit van 18 december 2009 ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden voor De Randsteden voorzienbaar waren, omdat de aandelen van Horecacentrum Elmes B.V. op 1 januari 2000 door [belanghebbende] zijn overgenomen en de gemeenteraad op 14 oktober 1999 heeft besloten de NV SDU, de voormalige Staatsdrukkerij en Uitgeverij, te verplaatsen om de betrokken locatie voor woningbouw te kunnen ontwikkelen. Aan dat besluit heeft het college verder ten grondslag gelegd dat tussen de gestelde schade en de beweerdelijk schadeveroorzakende besluiten geen causaal verband bestaat. Volgens het college is het horecabedrijf van De Randsteden ten gevolge van sloopvergunningen niet structureel onbereikbaar geweest, aangezien de sloop en het laden en lossen geheel op het werkterrein hebben plaatsgevonden. De verleende bouwvergunningen en de bouw van de nieuwe woningen hebben volgens het college evenmin geleid tot structurele onbereikbaarheid van het horecabedrijf. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf geen directe last heeft gehad van verleende opbreekvergunningen voor werkzaamheden aan de infrastructuur, omdat in die vergunningen steeds rekening is gehouden met de bereikbaarheid van het bedrijf. Het college heeft er tot slot op gewezen dat de gestelde omzetdaling kan worden verklaard door sinds medio 2004 toegenomen concurrentie in de regio Den Haag.
Het college heeft aan het besluit van 6 september 2010 een advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 1 september 2010 ten grondslag gelegd. Daarin is onder meer vermeld dat volgens een op verzoek van het college door Crawford&Company Nederland B.V. (hierna: Crawford) opgesteld rapport van 21 april 2009 De Randsteden in de periode november 2003 tot en met januari 2008 omzetverlies heeft geleden, maar dat in het rapport geen uitspraak is gedaan over een oorzakelijk verband tussen dat omzetverlies en besluiten van het college en dat De Randsteden een dergelijk causaal verband ook niet heeft aangetoond. Volgens de commissie heeft De Randsteden voorts niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Daartoe heeft de commissie in aanmerking genomen dat De Randsteden geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opbreekvergunningen, waarin voorschriften ter waarborging van de bereikbaarheid van onder meer het horecabedrijf van De Randsteden waren opgenomen, en dat zij, voor zover die voorschriften niet zijn nageleefd, het college niet heeft verzocht hiertegen handhavend op te treden.
3.    De Randsteden betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank, door te overwegen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij het risico van omzetdaling ten gevolge van herinrichting van het voormalige staatsdrukkerijterrein heeft aanvaard omdat die herinrichting voor haar voorzienbaar was, buiten de omvang van het geding is getreden, nu het college risicoaanvaarding vanwege voorzienbaarheid niet aan het besluit van 6 september 2010 ten grondslag heeft gelegd.
3.1.    Dit betoog faalt. Nu het college in bezwaar het besluit van 18 december 2009 heeft gehandhaafd, heeft zij mede de aan dat besluit ten grondslag gelegde motivering, dat de herinrichting van het voormalige staatsdrukkerijterrein voor De Randsteden voorzienbaar was, gehandhaafd. De motivering van dat besluit is bij het besluit van 6 september 2010 alleen aangevuld.
4.    De Randsteden betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de herinrichting van het voormalige staatsdrukkerijterrein voor haar voorzienbaar was, omdat dit oordeel op een onjuiste vaststelling van de feiten berust. De Randsteden voert aan dat de rechtbank en het college ten onrechte geen onderscheid hebben gemaakt tussen de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes B.V., waarvan de naam per 3 juni 2010 is gewijzigd in Horeca Centrum de Randsteden B.V., en de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes Beheer B.V., die sinds 3 januari 1994 enig eigenaar van de eerstvermelde besloten vennootschap is. De rechtbank heeft volgens De Randsteden ten onrechte overwogen dat [belanghebbende] per 1 januari 2000 de aandelen van Horecacentrum Elmes B.V. heeft overgenomen en vanaf die datum de exploitatie van het horecacentrum als directeur-eigenaar heeft voortgezet. Volgens haar is [belanghebbende] in de periode 2003-2009 geen eigenaar van De Randsteden geweest. Verder voert De Randsteden aan dat zij op basis van het besluit van de gemeenteraad van 14 oktober 1999 niet kon voorzien dat op en rondom het voormalige staatsdrukkerijterrein gedurende vijf jaar werkzaamheden zouden plaatsvinden, waardoor klanten haar winkel niet konden bereiken.
4.1.    Vast staat en niet in geschil is dat de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes Beheer B.V. sinds 3 januari 1994 enig eigenaar is van de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes B.V., die het verzoek om schadevergoeding bij het college heeft ingediend en waarvan de naam op 3 juni 2010 is gewijzigd in Horeca Centrum de Randsteden B.V. Verder is thans niet meer in geschil dat de besloten vennootschap WIM Systems B.V., waarvan [belanghebbende] de bestuurder is, op 1 januari 2000 de aandelen van de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes Beheer B.V. heeft overgenomen. De rechtbank is derhalve, door ervan uit te gaan dat [belanghebbende] op die datum de aandelen van de besloten vennootschap Horecacentrum Elmes B.V. heeft overgenomen, van onjuiste feiten uitgegaan.
Het betoog slaagt.
5.    Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal thans ingaan op door De Randsteden bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.
6.    De Randsteden betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het oorzakelijk verband tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende besluiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan. Zij voert aan dat het oorzakelijk verband is vermeld op pagina 13 van het op verzoek van het college door Crawford opgestelde rapport van 21 april 2009.
6.1.    Dit betoog faalt. Op pagina 13 van het rapport van Crawford is alleen vermeld dat bepaalde werkzaamheden op of rondom het voormalige staatsdrukkerijterrein in de tijd samenvielen met door De Randsteden geleden omzetverliezen. Dat is echter onvoldoende om een oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de beweerdelijk schadeveroorzakende besluiten aan te nemen. Over dat verband zijn in het rapport van Crawford ook geen conclusies getrokken. De Randsteden heeft voorts zelf geen stukken overgelegd, waarmee zij dat verband aannemelijk heeft gemaakt.
Gezien het voorgaande behoeft hetgeen De Randsteden voor het overige bij de rechtbank heeft aangevoerd geen bespreking meer.
7.    De conclusie is dat het college het verzoek om nadeelcompensatie van De Randsteden terecht heeft afgewezen. Nu het dictum van de rechtbankuitspraak, voor zover aangevallen, juist is, leidt de gegrondheid van het hoger beroep niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horeca Centrum de Randsteden B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena    w.g. Oranje
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013
507.