Uitspraak
201109319/1/A1), is de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Korendijk verleende op 23 mei 2011 een omgevingsvergunning voor het gebruik van een boerenschuur op een perceel te Goudswaard voor lichte horeca-activiteiten, onder de voorwaarde dat deze activiteiten gecombineerd zouden worden met boerengolf. De vergunning werd verleend voor vijf jaar, terwijl de boerengolfactiviteiten op de locatie uiterlijk 1 oktober 2012 beëindigd moesten zijn.
Appellant maakte bezwaar tegen de vergunning en stelde dat het college niet bevoegd was om de vergunning te verlenen omdat de boerenschuur buiten de bebouwde kom ligt en dat de termijn van vijf jaar onjuist was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar vernietigde later het besluit van het college, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het college onvoldoende concrete gegevens had om de termijn van vijf jaar als tijdelijk gebruik aan te merken. Tevens werd vastgesteld dat het perceel feitelijk binnen de bebouwde kom ligt, waardoor het college bevoegd was om de vergunning te verlenen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand waren gelaten en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand zijn gelaten.