ECLI:NL:RVS:2013:BZ3389
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens niet vastgestelde nationaliteit
Appellante verzocht om het Nederlanderschap voor zichzelf en haar minderjarige kinderen, maar de minister wees dit verzoek op 7 januari 2011 af omdat de nationaliteit niet kon worden vastgesteld. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing op 8 maart 2012 ongegrond.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij zich in bewijsnood bevond omdat zij geen geldig buitenlands paspoort kon overleggen. Tijdens de zitting van de Afdeling bestuursrechtspraak op 11 december 2012 liet zij dit verweer echter vallen, mede omdat zij een geldig Srilankaanse paspoort overlegd had. De Afdeling oordeelde dat het beroep daarom ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling overwoog dat de Rijkswet op het Nederlanderschap en de daarbij behorende Handleiding duidelijk voorschrijven dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument moet overleggen, tenzij sprake is van bewijsnood. Bewijsnood kan worden aangetoond door een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land van herkomst of door andere bewijsstukken waaruit blijkt dat alle mogelijkheden zijn benut om een geldig reisdocument te verkrijgen. In deze zaak was dat niet het geval.
De Afdeling stelde vast dat geen aanleiding bestond voor een proceskostenveroordeling en sprak het vonnis uit in het openbaar op 6 maart 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd.