Uitspraak
200901679/1/H1), strekt de mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening, dan wel weigering van een bouwvergunning voor een bouwplan niet zover, dat het betrokken onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf, waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. In het door [appellant] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gezien artikel 19.1 van de planvoorschriften in zoverre buiten toepassing te laten. Niet valt in te zien dat het planvoorschrift evident in strijd is met enige wettelijke bepaling die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan van toepassing was. Voorts zou het buiten toepassing laten van dat artikel ertoe leiden dat de gronden in het geheel niet meer mogen worden gebruikt voor tuinen, erven en terreinen met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarmee zou een situatie ontstaan die door de planwetgever niet is beoogd. Het betoog faalt.