Uitspraak
201102492/1/H), bestaat geen aanspraak op voorschot kinderopvangtoeslag, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko, de basis voor de opvang vormt. Ingevolge voormelde bepaling, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Awir, moet degene die aanspraak op de toeslag maakt aan de hand van een akte van een overeenkomst met de houder aantonen dat de opvang krachtens die overeenkomst plaatsvindt. Niet in geschil is dat [appellant] geen akte van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko, heeft overgelegd. Dat bepaalde gegevens, naar [appellant] stelt, langs andere weg bij de Belastingdienst bekend zijn geworden en hij stukken heeft overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat kinderopvang heeft plaatsgevonden, betekent niet dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst door hem niet aannemelijk gemaakt mocht achten dat de opvang krachtens een overeenkomst, als bedoeld in voormelde bepaling, heeft plaatsgevonden. Zij heeft dan ook met juistheid overwogen dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] over de desbetreffende periode geen aanspraak op kinderopvangtoeslag had. Het betoog faalt in zoverre.
201202657/1/A2), de Belastingdienst ingevolge voormeld artikel 26 van Pro de Awir niet van terugvordering mag afzien, indien een herziening van een tegemoetkoming of een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt.