Uitspraak
200409705/1), mag de minister in beginsel uitgaan van de juistheid van een ten overstaan van de inspecteurs afgelegde en ondertekende verklaring. Dit is slechts anders, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. [gemachtigde] heeft op 28 augustus 2009 ten overstaan van de inspecteurs verklaard dat het qua opdracht zo in elkaar zit, dat [bedrijf B] de opdracht heeft gegeven aan [bedrijf A], die vervolgens de opdracht heeft gegeven aan [bedrijf C]. De minister is terecht van de juistheid van die verklaring uitgegaan en niet van de latere verklaring van [gemachtigde], dat [bedrijf B] de opdracht tot het beheer van de campings rechtstreeks aan [bedrijf C] heeft gegeven en zij niet betrokken was bij de organisatie en het beheer van campings. Niet gebleken is dat sprake was van miscommunicatie tussen [gemachtigde] en de inspecteurs. Voorts heeft [gemachtigde] in deze verklaring, nadat deze op schrift is gesteld en aan hem is voorgelezen, volhard en heeft hij deze ondertekend. De klacht van [bedrijf A] dat die verklaring niet aan het boetebesluit ten grondslag mocht worden gelegd omdat [gemachtigde] geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht om zich te laten bijstaan door een raadsman, wordt niet gevolgd, nu [gemachtigde] niet als verdachte was aangehouden en hierom geen verplichting bestond om hem voorafgaand aan het afleggen van zijn verklaring te wijzen op het recht op raadpleging van een advocaat. Verder is de latere verklaring van [gemachtigde] onvoldoende met bewijsstukken gestaafd. Gesteld is dat [bedrijf B] negentien jaar geleden in een overeenkomst heeft vastgelegd dat zij [bedrijf C] rechtstreeks contracteert voor de organisatie van de campings, maar die overeenkomst is niet overgelegd. De minister heeft verder terecht het standpunt ingenomen dat het overgelegde transactieoverzicht, gevoegd bij de brief van [bedrijf B] van 14 december 2010, en de overgelegde brieven van de Rabobank van 22 februari 2011 en BDO Accountants & Belastingadviseurs B.V. van 23 februari 2011, evenmin grond bieden voor het oordeel dat [bedrijf B] rechtstreeks opdrachtgever aan [bedrijf C] was. Dat, zoals [bedrijf B] en [bedrijf A] hebben gesteld, Buro Pinkpop een in de volksmond gebruikte naam is voor beide ondernemingen, maakt het vorenstaande niet anders.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.