ECLI:NL:RVS:2013:BZ4411
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijkheid artikel 83 Vreemdelingenwet 2000 op niet-objectieve verklaringen in hoger beroep
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die een eerder besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel vernietigde. De rechtbank had een verklaring van de in Duitsland woonachtige en als vluchteling erkende oom van de vreemdeling betrokken bij haar oordeel, ondanks dat deze verklaring niet uit een objectieve bron afkomstig was.
De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 onjuist had toegepast door deze niet-objectieve verklaring mee te nemen in haar beoordeling. Volgens hem mocht de rechtbank deze verklaring niet betrekken omdat deze niet objectief verifieerbaar was en niet uit een objectieve bron kwam.
De Afdeling oordeelde dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 83 Vreemdelingenwet Pro 2000 een dergelijk verbod inhoudt. Ook kan een verklaring die niet uit een objectieve bron afkomstig is onder omstandigheden bewijskracht hebben. Echter, omdat de vreemdeling nagelaten had de verklaring te staven, was het niet onredelijk dat de staatssecretaris geen navraag deed bij Duitse autoriteiten of inzage vroeg in het asieldossier van de oom.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 oktober 2010 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.