ECLI:NL:RVS:2013:BZ5221
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel alleenstaande vrouw uit Afghanistan
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 29 november 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij hij oordeelde dat de minister het landgebonden beleid voor alleenstaande vrouwen uit Afghanistan niet correct had toegepast.
De minister stelde in hoger beroep dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat haar huwelijksband met haar echtgenoot was verbroken, zoals vereist volgens artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het landgebonden beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000. De enkele verklaring van de vreemdeling dat zij en haar echtgenoot op een vliegveld in Griekenland van elkaar gescheiden raakten, was onvoldoende bewijs.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd dat de huwelijksband niet als verbroken kon worden beschouwd en dat de vreemdeling niet als alleenstaande vrouw kon worden aangemerkt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.