ECLI:NL:RVS:2013:BZ7432

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201204763/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • D. Roemers
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WavArt. 2 WavArt. 15 WavArt. 18 WavArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebesluit wegens arbeid zonder vergunning op grensrivier

Bij besluit van 28 april 2006 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van €9.500,- op aan appellante wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en het niet tijdig verstrekken van een kopie van diens identiteitsdocument aan de werkgever waar de arbeid feitelijk werd verricht.

De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellante gegrond en stelde de boete vast op €8.550,-. De minister stelde zich op het standpunt dat de arbeid aan boord van een Nederlands schip op Nederlands grondgebied had plaatsgevonden. Appellante voerde aan dat het schip zich mogelijk op Duits grondgebied bevond en dat de minister dit niet had bewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister had onderschreven, omdat niet was vastgesteld waar de arbeid precies had plaatsgevonden. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de arbeid op Nederlands grondgebied was verricht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het boetebesluit vernietigd en de minister veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat arbeid op Nederlands grondgebied is verricht; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

201204763/1/V6.
Datum uitspraak: 27 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoot is [vennoot], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2012 in zaak nr. 09/6747 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 9.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2012 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 augustus 2009 vernietigd voor zover de minister de boete op € 9.500,00 heeft vastgesteld, het besluit van 28 april 2006 herroepen, bepaald dat de boete wordt vastgesteld op € 8.550,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot], bijgestaan door mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Weeber, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1? van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1? tot en met 3?, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.
2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 28 oktober 2005 houdt in dat tijdens een controle op 6 juni 2005 op het Nederlandse [motortankschip], aangemeerd op de rivier de Rijn in de vluchthaven te Lobith, een vreemdeling van Tsjechische nationaliteit, die de schipper van de [motortankschip] via [appellante] als stuurman had ingeleend, arbeid heeft verricht, zonder dat een tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Tevens houdt het boeterapport in dat [appellante] geen afschrift van een identiteitsdocument van de vreemdeling aan de schipper van de [motortankschip] heeft verzonden.
Volgens het boeterapport zagen de inspecteurs tijdens de controle dat de vreemdeling gekleed in een blauwe tuinbroek en rubber laarzen met een oliekan en een doek in zijn handen aan boord van de [motortankschip] was. Volgens het boeterapport en een verslag van een tijdens de controle afgenomen gehoor van de vreemdeling verklaarde de vreemdeling desgevraagd aan boord van het schip als stuurman werkzaam te zijn en te verblijven, en zojuist werkzaamheden te hebben verricht in de machinekamer van het schip.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister heeft onderschreven dat de vreemdeling op Nederlands grondgebied arbeid heeft verricht. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de [motortankschip] een internationaal varend schip is en de minister niet heeft bewezen dat in Nederland arbeid is verricht, aangezien Lobith aan de grens van Nederland ligt.
3.1 De minister heeft zich in het besluit van 14 augustus 2009 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling arbeid heeft verricht in de zin van de Wav. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de arbeid plaatsvond aan boord van een Nederlands schip en op Nederlands grondgebied. Derhalve heeft de minister aan [appellante] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, een boete opgelegd.
3.2 De rechtbank heeft niet onderkend dat uit het boeterapport niet blijkt dat de inspecteurs hebben waargenomen dat in Lobith arbeid is verricht en evenmin dat zij hebben onderzocht waar op de Rijn de [motortankschip] zich bevond toen de vreemdeling werkzaamheden in de machinekamer verrichtte, zodat niet kan worden uitgesloten dat de [motortankschip] zich gedurende die werkzaamheden op het Duitse gedeelte van de Rijn bevond en van arbeid door de vreemdeling op Nederlands grondgebied geen sprake was. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het door de minister in het besluit van 14 augustus 2009 ingenomen standpunt onderschreven.
Het betoog slaagt.
4. Uit het voorgaande volgt dat het betoog dat is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat aan [appellante] wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav, terecht een boete is opgelegd, eveneens slaagt.
5. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 augustus 2009 vernietigd wegens strijd met de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste lid, van de Wav, het besluit van 28 april 2006 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt.
6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de totale boete van € 9.500,00 ten onrechte opgelegd, zodat voor vermindering daarvan vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zoals de rechtbank heeft gedaan, geen plaats is. Nu het geschil in eerste aanleg is aangevangen met een boetekennisgeving van 20 januari 2006 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 4 april 2012, heeft deze fase zes jaar en ruim twee maanden geduurd en is de redelijke termijn van twee jaar voor deze fase met vier jaar en ruim twee maanden overschreden. Niet is gebleken dat deze overschrijding het gevolg is van een prejudiciële verwijzing dan wel in enige mate aan [appellante] is te wijten. Derhalve wordt de minister uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, krachtens artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4500,00 aan [appellante]. Het tijdsverloop in hoger beroep leidt niet tot een hoger bedrag.
7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2012 in zaak nr. 09/6747;
II. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
III. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 augustus 2009, kenmerk WBJA/JA-WAV/2008/17858/BOB2;
IV. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2006, kenmerk 070503721/04;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt;
VI. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om aan de vennootschap naar Tsjechisch recht [appellante] s.r.o. te betalen een vergoeding van € 4500,00 (zegge: vijfenveertighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 763,00 (zegge: zevenhonderddrieënzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013
620.