ECLI:NL:RVS:2013:BZ7448

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201208316/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 IVRKArt. 7 Wpbr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toestemming voor beveiligingswerkzaamheden na strafrechtelijke veroordelingen en overtredingen

De korpschef van politie heeft aan appellant de toestemming onthouden om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling uit 2005 toen appellant minderjarig was, en latere overtredingen in 2010. Appellant stelde dat deze weigering in strijd was met artikel 40 van Pro het IVRK, dat de rechten van kinderen in strafzaken beschermt.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de weigering niet uitsluitend gebaseerd was op de jeugdige strafrechtelijke veroordeling, maar ook op de overtredingen van rijden zonder rijbewijs en het bezit van verdovende middelen toen appellant meerderjarig was.

Gelet op het samenstel van feiten was de korpschef bevoegd om de toestemming te weigeren. De Raad van State verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden aan appellant.

Uitspraak

?201208316/1/A3.
Datum uitspraak: 27 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012 in zaak nr. 11/3584 in het geding tussen:
[appellant]
en
korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond,
thans: de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 april 2011 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie.
Bij besluit van 11 juli 2011 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2013, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.H. ten Velde, werkzaam bij de politie, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) erkennen de staten die partij zijn, het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld ter zake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), zoals deze wet ten tijde van belang luidde, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend, geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.
Ingevolge het vijfde lid wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.
Volgens paragraaf 2.1, onder b en c, van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire) wordt de toestemming aan personen, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr onthouden indien:
b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of
c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beslissing van de korpschef om toestemming aan hem te onthouden, niet in strijd is met artikel 40, eerste lid, van het IVRK. Daartoe voert hij aan dat die beslissing gebaseerd is op een strafrechtelijke veroordeling van 16 december 2005 en hij ten tijde van het plegen van de aan die veroordeling ten grondslag liggende delicten veertien jaar oud was. Het tegenwerpen van die veroordeling leidt tot onaanvaardbare consequenties voor de opbouwende rol van een minderjarige in de samenleving, als bedoeld in voormelde verdragsbepaling, aldus [appellant].
2.1. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid, nader uitgewerkt in paragraaf 2.1, onder b en c, van de circulaire, zodat hem de toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, ingevolge het vijfde lid van die bepaling wordt onthouden. Ter zake van onderdeel b van voormelde paragraaf heeft de korpschef daartoe van belang geacht dat [appellant] wegens het plegen van twee misdrijven op 16 december 2005 door de kinderrechter is veroordeeld tot 40 uren werkstraf subsidiair twintig dagen jeugddetentie. Ter zake van onderdeel c heeft de korpschef van belang geacht dat [appellant] in 2010 tweemaal transacties heeft aanvaard wegens het rijden zonder geldig rijbewijs en blijkens mutatierapporten van de politie in 2006 en 2010 is geconstateerd dat hij in het bezit was van verdovende middelen.
2.2. Uit het voorgaande en de door de korpschef ter zitting bij de Afdeling gegeven toelichting kan worden afgeleid dat de beslissing van de korpschef om toestemming aan [appellant] te onthouden niet louter gebaseerd is op de strafrechtelijke veroordeling van 16 december 2005, maar ook op het feit dat [appellant] tweemaal zonder geldig rijbewijs heeft gereden en tweemaal verdovende middelen bij hem zijn aangetroffen. Nu [appellant] ten tijde van de in 2010 begane overtredingen meerderjarig was, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel, dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikel 40, eerste lid, van het IVRK heeft verworpen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de korpschef, gelet op het samenstel van factoren, toestemming aan [appellant] heeft mogen onthouden.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013
434.