201207861/1/A3.
Datum uitspraak: 27 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2012 in zaak nr. 12/1166 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [appellant] een aantal documenten over de nieuwbouw van Eurojust openbaar gemaakt.
Bij besluit van 28 december 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Potter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
2. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] om hem op voet van de Wob alle documenten over de nieuwbouw van Eurojust te verstrekken, heeft het college bij het besluit van 28 juni 2011 een nota van uitgangspunten ‘Huisvesting Eurojust’ en een nota van stedenbouwkundige uitgangspunten ‘Eurojust - locatie Jan Willem Frisolaan’ openbaar gemaakt. Voorts heeft het een - reeds openbaar gemaakte - notitie van het advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn (hierna: de landsadvocaat) over erfdienstbaarheden aan [appellant] verstrekt.
In het besluit van 28 december 2011 heeft het college zich, onder verwijzing naar een advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat het alle bij hem berustende documenten over de nieuwbouw van Eurojust openbaar heeft gemaakt.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de documenten waarom [appellant] heeft verzocht aan hem zijn verstrekt en dat derhalve aan zijn verzoek is voldaan. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat, voor zover de landsadvocaat in verband met een aan hem gedaan verzoek om advies over stukken beschikt, deze stukken via het kadaster zijn op te vragen en derhalve reeds openbaar zijn.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college aan zijn verzoek heeft voldaan. Volgens hem beschikt de landsadvocaat over stukken die niet openbaar zijn gemaakt. Hij heeft dat evenwel in de bezwaarfase niet deugdelijk kunnen nagaan omdat in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage zijn gelegd. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat vanwege deze onzorgvuldigheid een nieuwe hoorzitting in bezwaar had moeten worden gehouden, aldus [appellant].
3.1. Het verhandelde ter zitting bij de Afdeling geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college alle bij hem berustende documenten over de nieuwbouw van Eurojust heeft verstrekt en dat de stukken die de landsadvocaat in zijn bezit heeft reeds openbaar zijn, zodat de Wob op die stukken niet van toepassing is. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het college aan het verzoek van [appellant] heeft voldaan. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] over het verloop van de bezwaarprocedure, wat daar ook van zij, niet slagen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom w.g. Vreken-Westra
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013