ECLI:NL:RVS:2013:BZ7506

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201109671/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • T.G. Drupsteen
  • W. Sorgdrager
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 Wet milieubeheerArt. 6.1 Provinciale milieuverordeningArt. 6.3 Provinciale milieuverordeningArt. 6.4 Provinciale milieuverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanwijzing aardkundig monument Duingebied Egmond-Wijk aan Zee

Provinciale staten van Noord-Holland stelden op 11 juli 2011 de Provinciale milieuverordening Tranche 7 vast, waarin onder meer het gebied 'Duingebied Egmond-Wijk aan Zee' als aardkundig monument is aangewezen. Appellant, die bloembollen teelt op percelen binnen dit gebied, stelde beroep in tegen deze aanwijzing en het verbod op bepaalde handelingen in het gebied.

Appellant voerde aan dat de aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd, willekeurig is en dat de term 'aardkundig monument' niet voorkomt in het Intentieprogramma bodembescherming NH 1994. Tevens stelde hij dat de beperkingen onevenredig zijn voor zijn bedrijfsvoering. Provinciale staten motiveerden de aanwijzing met het belang van het behoud van waardevolle bodemrestanten en de ecologische samenhang in het kustgebied.

De Raad van State oordeelde dat de motivering van provinciale staten toereikend is en dat het ontbreken van de term 'aardkundig monument' in het Intentieprogramma niet betekent dat de aanwijzing niet gerechtvaardigd is. Ook wees de Raad het beroep af dat de beperkingen onevenredig zijn, aangezien agrarische activiteiten zijn uitgezonderd van het verbod. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van het aardkundig monument is ongegrond verklaard en de verordening blijft van kracht.

Uitspraak

201109671/1/A4.
Datum uitspraak: 27 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], wonend te Egmond-Binnen, gemeente Bergen, [appellante B], gevestigd te Castricum, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen, [vennoot B] en [vennoot C], beiden wonend te Castricum (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),
en
provinciale staten van Noord-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2011 hebben provinciale staten de Provinciale milieuverordening Noord-Holland Tranche 7 (hierna: de verordening) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2012, waar provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Zaandam, en E.R. Khodabux, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer stellen provinciale staten ter bescherming van het milieu een verordening vast.
Ingevolge het vierde lid, kan bij de verordening worden bepaald dat bij de verordening gestelde regels slechts gelden voor een of meer daarbij aan te wijzen delen van het grondgebied van de provincie.
2. In artikel 6.1, eerste lid, van de verordening, zijn zeventien gebieden als aardkundige monumenten aangewezen, waaronder het gebied "Duingebied Egmond-Wijk aan Zee".
Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, is het verboden in of op een in artikel 6.1 genoemd aardkundig monument handelingen te verrichten die het aardkundig monument kunnen aantasten.
Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, wordt onder de in het eerste lid genoemde handelingen in ieder geval begrepen: betreden met zware vervoermiddelen.
3. De percelen van [appellant], waar hij bloembollen teelt, zijn gelegen in het als aardkundig monument aangewezen gebied "Duingebied Egmond-Wijk aan Zee".
4. [appellant] betoogt dat provinciale staten zijn percelen ten onrechte als aardkundig monument hebben aangewezen. Daartoe voert hij aan dat onvoldoende is gemotiveerd wat het belang is van de aanwijzing van het aardkundig monument waarbinnen zijn percelen zijn gelegen. Volgens [appellant] komt de term aardkundig monument niet voor in het Intentieprogramma bodembescherming NH 1994 (hierna: het Intentieprogramma) waar provinciale staten ter motivering van de aanwijzing naar verwijzen. [appellant] voert verder aan dat de aanwijzing van het aardkundig monument willekeurig is, omdat het bodembeschermingsgebied waar zijn percelen toe behoren slechts gedeeltelijk als aardkundig monument is aangewezen.
4.1. In de toelichting bij de verordening staat dat aardkundige monumenten gebieden zijn die extra bescherming nodig hebben vanwege hun waardevolle bodem en/of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem. Provinciale staten verwijzen voor de motivering van de aanwijzing van de aardkundige monumenten naar het Intentieprogramma. Daaruit volgt dat de percelen van [appellant] aardkundig gezien van belang zijn omdat deze een onderdeel vormen van het aardkundig kustgebied. De bodem onder de bollenvelden van [appellant] bestaat uit restanten van oude duinen die gevormd zijn door invloeden van het Oer-IJ en zee en wind. Deze invloeden zijn af te lezen uit de samenstelling van de bodem. Gezien het belang van het behoud van deze waardevolle elementen is het volgens provinciale staten van belang om verdere aantasting van de bodem, met name als gevolg van verdroging, te voorkomen. Verder stellen provinciale staten dat zich in de kustzone een grote diversiteit aan reliëf, grondwater, bodems en de daarmee samenhangende vegetatietypen bevindt. De verschillende landschapseenheden beïnvloeden elkaar via grondwaterstromingen en zijn daardoor aan elkaar gerelateerd. Het behoud van een hoge grondwaterstand in de kustzone is belangrijk voor de waardevolle vegetaties in de vochtige duinvalleien, de vochtige en kwel indicerende plantensoorten in de omringende gebieden en de weidevogelgebieden. Het op peil houden van de grondwaterstand ter plaatse van de percelen van [appellant] is volgens provinciale staten van belang omdat de grondwaterstand en -kwaliteit in de duinen het grondwater in de binnenduinrandzone, waar de percelen van [appellant] zijn gelegen, beïnvloeden en andersom. Verder staat in de toelichting bij de verordening dat bij de begrenzing van de verschillende aardkundige monumenten de natuurlijke grenzen van het aardkundig verschijnsel, bijvoorbeeld contouren van de stuwwal of strandwal, zijn gevolgd.
4.2. Gelet op de hiervoor weergegeven motivering van provinciale staten bestaat geen grond voor het oordeel dat zij niet in redelijkheid tot aanwijzing van het aardkundig monument "Duingebied Egmond-Wijk aan Zee konden overgaan". Dat de term aardkundig monument niet wordt genoemd in het Intentieprogramma, betekent niet dat de in het Intentieprogramma opgenomen informatie over de bodemsamenstelling van onder meer de Noord-Hollandse kustlijn niet aan de aanwijzing van de aardkundige monumenten ten grondslag kon worden gelegd. De beroepsgrond faalt.
5. [appellant] stelt dat hij door de aanwijzing van het aardkundig monument "Duingebied Egmond-Wijk aan Zee" onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt. Gelet hierop zou artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening volgens hem moeten worden geschrapt.
5.1. In artikel 6.4, aanhef en onder d, van de verordening zijn agrarische activiteiten op agrarische percelen uitgezonderd van het in artikel 6.3 opgenomen verbod om handelingen te verrichten die het aardkundig monument kunnen aantasten. Volgens de toelichting bij artikel 6.4 betreft de vrijstelling onder d percelen met de bestemming 'agrarisch' in het bestemmingsplan en het daarop uitoefenen van een regulier agrarisch gebruik, inclusief drainage. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] door de aanwijzing van het aardkundig monument onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. De beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van Roessel
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013
492-738