ECLI:NL:RVS:2013:BZ7534
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunningplicht voor berging en overkapping te Vlissingen
Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen wees een verzoek tot handhaving af tegen een zonder vergunning gerealiseerde berging met overkapping op het perceel van appellant sub 1. Na bezwaar en een vernietiging door de rechtbank Middelburg, werd het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Zowel appellant sub 1 als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of voor de berging en overkapping een bouwvergunning vereist was. Appellant sub 1 stelde dat de bouwwerken vergunningvrij waren op grond van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb), omdat zij afzonderlijke bouwwerken zouden zijn en voldeden aan de afstands- en oppervlaktecriteria. De rechtbank oordeelde echter dat het om één bijgebouw ging, dat niet op meer dan 1 meter van het voorerf was geplaatst, waardoor een vergunningplicht bestond.
Het college voerde aan dat na inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) de berging en overkapping vergunningvrij zijn als bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied. De Raad van State stelde vast dat de bouwwerken niet geheel in het achtererfgebied liggen, waardoor ook onder de Wabo en het Bor een vergunningplicht geldt.
De Raad van State verklaarde de hoger beroepen ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat voor de berging en overkapping een bouwvergunning vereist is en verklaart de hoger beroepen ongegrond.