ECLI:NL:RVS:2013:BZ7684
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ontvangt schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring zonder rechtmatig terugkeerbesluit
De vreemdeling was bij besluit van 26 juli 2011 opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Tegen dit besluit maakte hij bezwaar, dat op 6 februari 2012 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris ten tijde van het vertrekbesluit niet bevoegd was om de vreemdeling een vertrektermijn te onthouden wegens het risico op onderduiken. Daarom werd het besluit van 26 juli 2011 herroepen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten.
Daarnaast verzocht de vreemdeling om schadevergoeding voor de periode dat hij zonder rechtmatig terugkeerbesluit in bewaring was gesteld. De Raad van State oordeelde dat dit verzoek geen nieuwe grief vormde en kende een vergoeding toe over de periode van 26 juli 2011 tot 13 december 2011.
Tot slot werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding van €11.120 en tot vergoeding van proceskosten van €944 aan de vreemdeling. Hiermee verving de uitspraak het vernietigde besluit en werd recht gedaan aan de onrechtmatige bewaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vertrekbesluit wordt herroepen en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding van €11.120.