ECLI:NL:RVS:2013:BZ7904
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- J. Hoekstra
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bouwvergunningvoorwaarde over roltrapveiligheid wegens strijd met Machinerichtlijn
De zaak betreft een hoger beroep van ProRail tegen het college van burgemeester en wethouders van Utrecht over een bouwvergunning voor een OV-terminal. Het college stelde als voorwaarde dat de leuningen van de roltrappen berekend moesten worden op een horizontale belasting van 3 kN/m¹, gelijk aan die van vaste trappen volgens het Bouwbesluit 2003.
De Raad van State oordeelt dat roltrappen onder de Machinerichtlijn vallen en dat de geharmoniseerde norm NEN-EN 115-1 van toepassing is. Deze norm voorziet in specifieke veiligheidseisen voor roltrappen en maakt geen gebruik van de strengere eisen uit het Bouwbesluit 2003. Bovendien zijn roltrappen geen vluchtroutes zoals bedoeld in het Bouwbesluit, waardoor dat besluit geen dwingende eisen voor roltrappen bevat.
Verder stelt de Afdeling vast dat de Machinerichtlijn volledige harmonisatie bewerkstelligt en dat lidstaten geen strengere eisen mogen stellen dan de geharmoniseerde norm, tenzij gebruik wordt gemaakt van de afwijkmogelijkheden in de richtlijn. Deze mogelijkheden zijn niet benut door de Nederlandse overheid, noch door het college. Richtlijnconforme interpretatie van het Bouwbesluit om artikel 15 Machinerichtlijn Pro toe te passen is niet verplicht en niet mogelijk zonder strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Daarom mocht het college de strengere voorwaarde niet stellen en is het hoger beroep van ProRail gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank Utrecht wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan ProRail.
Uitkomst: De voorwaarde aan de bouwvergunning die een hogere belastingeis voor roltrapleuningen stelt dan de geharmoniseerde norm is vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.