ECLI:NL:RVS:2013:BZ8667
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden asielvergunninghouders
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 14 april 2011 aanvragen van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdelingen maakten bezwaar en gingen in beroep tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep van vreemdelingen 1 tot en met 4 ongegrond, maar gaf wel gelijk aan vreemdelingen 5, 6 en 7 door het besluit van 21 november 2011 te vernietigen.
De minister en vreemdelingen 1 tot en met 4 gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of de minister verplicht was DNA-onderzoek aan te bieden aan vreemdelingen 5, 6 en 7 om hun gezinsband met de referent, houder van een verblijfsvergunning asiel, vast te stellen.
De Afdeling oordeelde dat de minister zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat vreemdeling 2 en daarmee ook vreemdelingen 5, 6 en 7 niet aannemelijk hadden gemaakt feitelijk tot het gezin van de referent te behoren. Een DNA-onderzoek zou de feitelijke gezinsband niet aannemelijk maken. Daarom was de minister niet verplicht DNA-onderzoek aan te bieden. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het eerdere oordeel van de rechtbank vernietigd en het beroep van vreemdelingen 5, 6 en 7 alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van vreemdelingen 5, 6 en 7 wordt ongegrond verklaard en hun mvv-aanvragen afgewezen.