ECLI:NL:RVS:2013:BZ8676
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid huisbezoek en intrekking verblijfsvergunning wegens schijnrelatie
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de intrekking van een verblijfsvergunning wegens vermeende schijnrelatie onrechtmatig achtte. De Raad van State beoordeelt of het huisbezoek, dat ten grondslag lag aan de intrekking, in overeenstemming was met artikel 8 EVRM Pro en de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).
Uit het proces-verbaal blijkt dat de ambtenaren zich voorafgaand aan het binnentreden hebben gelegitimeerd en het doel hebben medegedeeld, en dat zij met toestemming van de partner de woning zijn binnengetreden. Dit voldoet aan de vereisten van de Awbi. Bovendien was er voldoende aanleiding voor het huisbezoek op basis van een anonieme tip en eerdere onderzoeken.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de informatie uit het huisbezoek onrechtmatig was verkregen en niet mocht worden gebruikt voor de intrekking van de verblijfsvergunning. De intrekking is gebaseerd op het ontbreken van een duurzame en exclusieve relatie, zoals blijkt uit de ambtsbelofte, en de verklaringen en bewijsstukken die de staatssecretaris heeft onderzocht.
De Raad van State wijst het beroep van de vreemdeling af en bevestigt dat de staatssecretaris de vergunning terecht heeft ingetrokken. Tevens wordt overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel niet beschermt tegen onjuiste gegevens in de relatieverklaring. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.