ECLI:NL:RVS:2013:BZ8681

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201111698/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • R. van der Spoel
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbparagraaf B1/1 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf B8/3.4 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep klaagde hij dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de vreemdeling niet verplicht was om in Turkije, het dichtstbijzijnde land met een Nederlandse vertegenwoordiging, een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling niet zonder meer toegang tot noodzakelijke medische zorg in Turkije zou krijgen en dat de verwijzing naar Turkije daarom onterecht was.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de verwijzing naar Turkije terecht was volgens het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat de rechtbank dit niet had onderkend. Desondanks kon dit niet leiden tot vernietiging van de uitspraak omdat de rechtbank ook op andere gronden het beroep gegrond had verklaard. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en tot betaling van griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 maart 2013.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

201111698/1/V1.
Datum uitspraak: 29 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 14 oktober 2011 in zaak nr. 10/43236 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 november 2010 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 oktober 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201008031/1/V1 niet op het geval van de vreemdeling toepasbaar is, omdat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vreemdeling in Turkije, waar zij nooit legaal heeft verbleven, toegang tot de voor haar noodzakelijke medische zorg zal verkrijgen en het gelet op de aanwezigheid van een Nederlandse vertegenwoordiging in Georgië, dat dichter bij haar land van herkomst Azerbeidzjan ligt dan Turkije, niet duidelijk is waarom de staatssecretaris voor het aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) naar Turkije heeft verwezen. Hiertoe voert de staatssecretaris onder meer aan dat de rechtbank heeft miskend dat een mvv volgens paragraaf B1/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) bij afwezigheid in het land van herkomst van een Nederlandse vertegenwoordiging dient te worden aangevraagd in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd en Turkije een nabij Azerbeidzjan gelegen land is waar ten tijde van het nemen van het besluit van 25 november 2010 bij uitsluiting de consulaire zaken voor Azerbeidzjan waren ondergebracht. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat de vreemdeling niet heeft onderbouwd dat zij in Turkije geen toegang tot de medische zorg zal krijgen. Onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 voert de staatssecretaris voorts aan dat overeenkomstige toepassing op het geval van de vreemdeling van het in paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000, zoals ten tijde van belang luidend, neergelegde beleid over de feitelijke toegankelijkheid van medische zorg niet onredelijk is.
2.1. In het besluit van 25 november 2010 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de consulaire zaken voor Azerbeidzjan zijn ondergebracht in Ankara, Turkije. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris in dat besluit, gelet op het in paragraaf B1/1 van de Vc 2000 neergelegde beleid, voor het aanvragen van een mvv derhalve terecht naar Turkije heeft verwezen. De stelling van de vreemdeling dat zij op 27 juli 2011 een e-mail van de Nederlandse vertegenwoordiging in Georgië heeft ontvangen met de mededeling dat deze vertegenwoordiging ook consulaire zaken voor Azerbeidzjan afhandelt, doet hieraan niet af, reeds nu die stelling niet ziet op de situatie ten tijde van dat besluit.
De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat de stelling van de vreemdeling dat zij nooit legaal in Turkije heeft verbleven niet tot de conclusie noopt dat de staatssecretaris er bij het nemen van het besluit van 25 november 2010 ten onrechte vanuit is gegaan dat de medische zorg in Turkije ook beschikbaar is voor personen die geen Turks onderdaan zijn.
De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. Dit kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, omdat de staatssecretaris geen grief richt tegen de overweging van de rechtbank over de vergewisplicht met betrekking tot de door het Bureau Medische Advisering gestelde reisvoorwaarden. Deze overweging kan de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het besluit van 25 november 2010 zelfstandig dragen.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 25 november 2010 in stand te laten.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2013
620.