ECLI:NL:RVS:2013:BZ8690
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep minister
De minister van Justitie wees op 31 augustus 2010 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 11 juli 2011 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de overwegingen in het vonnis.
De minister, inmiddels de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris klaagde onder meer dat de rechtbank niet verplicht was hem schriftelijk te laten reageren op nieuwe stukken die de vreemdeling in beroep had ingebracht, maar dit werd door de Raad van State verworpen op grond van de wetsgeschiedenis en de gewijzigde tekst van artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad overwoog dat de rechtbank niet langer verplicht is om telkens een schriftelijk verzoek te doen aan de staatssecretaris, maar dat van de staatssecretaris wordt verwacht dat hij proactief reageert op nieuwe feiten en omstandigheden. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van €472,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de staatssecretaris af.