ECLI:NL:RVS:2013:BZ8695

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201113218/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding kosten contra-expertise taalanalyse derde fase

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wees de aanvraag van de vreemdeling af om de kosten van een contra-expertise taalanalyse derde fase te vergoeden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het COa een nieuw besluit te nemen.

Het COa stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat het rechtmatig was om van de vreemdeling te verlangen de identiteit van de opsteller van de taalanalyse kenbaar te maken om de onafhankelijkheid en deskundigheid te kunnen verifiëren. De vreemdeling kon deze identiteit echter niet verstrekken vanwege geheimhouding door de begeleidende instantie.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit had vernietigd omdat het COa het recht had om vooraf de onafhankelijkheid van de opsteller te controleren. Het hoger beroep van het COa werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 maart 2013.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van het COa bevestigd.

Uitspraak

201113218/1/V1.
Datum uitspraak: 29 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 december 2011 in zaak nr. 10/33237 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
het COa.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2011 (hierna: het besluit) heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 de kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse derde fase (hierna: de derde fase) te vergoeden, opnieuw afgewezen. Het besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 december 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen gerichte beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de grieven klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ten onrechte van de vreemdeling heeft geëist dat hij de identiteit van de opsteller van de derde fase aan het COa kenbaar laat maken. Volgens het COa heeft de rechtbank niet onderkend dat het vooraf de onafhankelijkheid en deskundigheid van de opsteller moet kunnen verifiëren, teneinde te kunnen beoordelen of de derde fase redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling en toetsing in de asielprocedure en of de gevraagde kosten derhalve noodzakelijk zijn. In dat verband is het aan de desbetreffende vreemdeling om desgevraagd de identiteit van de opsteller bij de instantie die het opstellen van de derde fase begeleidt op te vragen en deze aan het COa kenbaar te laten maken, aldus het COa.
1.1. Het COa heeft de vreemdeling bij brief van 24 september 2010 verzocht de identiteit van de opsteller van de derde fase aan het COa kenbaar te laten maken.
De vreemdeling heeft het COa bij brief van 8 oktober 2010 medegedeeld dat De Taalstudio, de instantie die het opstellen van de derde fase begeleidt, slechts bereid is de identiteit van de opsteller onder geheimhouding mede te delen aan de rechtbank.
In het besluit heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat het niet vooraf heeft kunnen verifiëren of de door de vreemdeling door tussenkomst van De Taalstudio in te schakelen opsteller van de derde fase onafhankelijk en deskundig is en dat het daarom de kosten niet vergoedt.
1.2. Uit 1.1. volgt dat het COa de vreemdeling in de gelegenheid heeft gesteld om ervoor zorg te dragen dat De Taalstudio het COa de identiteit van de opsteller mededeelt. Voor dit geval heeft de Afdeling de in de grieven opgeworpen rechtsvraag reeds beantwoord in de uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201112376/1/V1. Uit die uitspraak, waar de Afdeling bij blijft, volgt dat de rechtbank in zoverre ten onrechte het besluit heeft vernietigd.
De grieven slagen.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidend beroep alsnog ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 december 2011 in zaak nr. 10/33237;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Oudeboon-van Rooij
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2013
282-747