ECLI:NL:RVS:2013:BZ8698
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs samenwoning en gezinsleven
De minister wees op 23 september 2010 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat hij en de referente aan de vereisten voor samenwoning en gezinsvorming voldeden. De vreemdeling diende dit aannemelijk te maken, niet de minister. De Raad stelt vast dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling onjuiste en tegenstrijdige verklaringen gaf en dat de verstandelijke beperking van de referente dit niet verklaart.
Verder is onvoldoende gebleken dat de vreemdeling daadwerkelijk zorg voor het kind op zich kan nemen. Ook is het beroep op het EVRM en het Handvest niet gegrond, omdat er geen aannemelijk contact of gezinsleven met het kind is. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand.