ECLI:NL:RVS:2013:BZ8699
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaren hoger beroep in vreemdelingenzaak
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de minister van Buitenlandse Zaken op 8 juli 2011 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte zij bezwaar, dat door de minister op 15 maart 2012 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 24 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaarde omdat zij oordeelde dat het bezwaar niet namens de vreemdeling was ingediend.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en stelde dat het bezwaar wel degelijk namens haar was ingediend, wat ondersteund werd door de vermelding in het besluit van 15 maart 2012 en de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvulling daarop. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat uit het bezwaarschrift en de aanvulling blijkt dat namens de vreemdeling bezwaar is gemaakt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens stelde de Raad van State de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan. De minister moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.