ECLI:NL:RVS:2013:BZ8701
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat opdracht tot onmiddellijke vertrek geen rechtsgevolg heeft en geen terugkeerbesluit vormt
De staatssecretaris heeft op 3 november 2010 een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document afgewezen, waarbij tevens een terugkeerbesluit is genomen. De vreemdeling kreeg later per brief van 17 december 2011 de opdracht Nederland onmiddellijk te verlaten. De rechtbank oordeelde dat deze opdracht een rechtsgevolg heeft en dat de vreemdeling daarom belang had bij een beoordeling daarvan.
De staatssecretaris stelde echter dat de opdracht in de brief niet gericht is op rechtsgevolg en daarom niet als een terugkeerbesluit kan worden aangemerkt. De Afdeling bestuursrechtspraak onderschreef dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de opdracht rechtsgevolg heeft, mede gelet op artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 januari 2012 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.