ECLI:NL:RVS:2013:CA0133
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Herziening zorgtoeslag na onjuist niet-Nederlandse inkomsten partner
Appellante sub 1 ontving in 2007 zorgtoeslag die later door de Belastingdienst/Toeslagen werd herzien en op nihil gesteld, omdat het niet in Nederland belastbaar inkomen van haar echtgenoot niet was meegenomen bij de berekening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het herzieningsbesluit, maar de Belastingdienst stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Belastingdienst bevoegd was de zorgtoeslag te herzien op grond van artikel 21, lid 1, sub b, van de Awir, omdat appellante wist of behoorde te weten dat de toeslag te hoog was toegekend. Het partnerbegrip van de Awir en Wzt is leidend, ook voor in het buitenland wonende personen, en de Europese verordeningen staan de toepassing daarvan niet in de weg.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die de rechtsgevolgen van het herzieningsbesluit niet in stand liet en verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens vervallen belang. Tevens wordt de Belastingdienst verplicht het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.
Uitkomst: De zorgtoeslag van appellante wordt terecht herzien en op nihil gesteld vanwege niet meegenomen niet in Nederland belastbaar inkomen van haar partner.