ECLI:NL:RVS:2013:CA0156

Raad van State

Datum uitspraak
15 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201211114/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 planvoorschriften bestemmingsplan De GriendenArt. 4 lid 4 onder b bestemmingsplan De GriendenArt. 4 lid 4 onder g bestemmingsplan De GriendenArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor woninguitbreiding in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas weigerde op 8 november 2011 een omgevingsvergunning voor het vergroten van een woning op een perceel te Puttershoek. Het bezwaar van appellant tegen deze weigering werd op 29 februari 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 9 november 2012. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil is of de geplande opbouw op een bestaande garage kan worden aangemerkt als een uitbreiding van de woning in de zin van het bestemmingsplan "De Grienden". Volgens het college en de rechtbank is dit het geval, en voldoet de uitbreiding niet aan de planvoorschriften omtrent afstand en goothoogte.

De Raad van State volgt dit oordeel en wijst het betoog van appellant af dat de opbouw geen uitbreiding zou zijn omdat deze samen met de garage deel uitmaakt van de woning. De Raad bevestigt dat de opbouw als uitbreiding moet worden beschouwd en dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd; omgevingsvergunning geweigerd wegens strijd met bestemmingsplan.

Uitspraak

201211114/1/A1.
Datum uitspraak: 15 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Puttershoek, gemeente Binnenmaas,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2012 in zaak nr. 12/444 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te Puttershoek (hierna: het perceel).
Bij besluit van 29 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Het bouwplan voorziet in een verdieping op een reeds bestaande garage. Deze garage is aangebouwd aan de woning op het perceel. Het college heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan en het niet bereid is toestemming te verlenen voor het bouwen in strijd met het bestemmingsplan.
2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
3. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "De Grienden" rust op het perceel de bestemming "woondoeleinden".
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw, behorende bij een woning op hetzelfde bouwperceel al dan niet aan die woning verbonden, zoals een berging, hobbyruimte, garagebox of uitbreiding van de woning met uitzondering van dierenverblijven.
Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder q, wordt onder uitbreiding van de woning verstaan een gebouw dat is aangebouwd aan de woning en rechtstreeks van daaruit toegankelijk is.
Ingevolge artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, bedraagt, indien uitbreidingen van de woning naast of aan woningen worden gebouwd, de afstand tussen een uitbreiding van de woning en de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan ten minste 4 m.
Ingevolge het bepaalde in die aanhef onder g, voor zover hier van belang, bedraagt de goothoogte van de uitbreidingen van de woning ten hoogste 3 m.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht door de daarin voorziene opbouw op de garage aan te merken als een uitbreiding van de woning. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat na realisatie van het bouwplan de opbouw en de garage deel uitmaken van de woning. Nu de opbouw derhalve niet ondergeschikt is aan de woning, kan die niet worden aangemerkt als aanbouw en daarmee ook niet als uitbreiding, aldus [appellant]. De omstandigheid dat in de planvoorschriften het begrip opbouw niet is gedefinieerd, maakt volgens [appellant] niet dat voor de betekenis van dit begrip kan worden aangesloten bij een daarin wel gedefinieerd begrip.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de in het bouwplan voorziene opbouw op de garage aangemerkt dient te worden als een uitbreiding van de woning, in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de planvoorschriften. Het gestelde door [appellant], dat de opbouw geen uitbreiding betreft, nu die tezamen met de garage, deel wordt van de woning, wordt niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom de garage met opbouw om die reden geen bijgebouw betreft in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften.
Nu de uitbreiding, naar niet in geschil is, niet voldoet aan de vereisten in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, en g, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank in navolging van het college voorts terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Deen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013
604-757