ECLI:NL:RVS:2013:CA0618
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 3 februari 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste het hoger beroep en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het vermoeden van de vreemdeling over de moord op zijn vriend door Kifah niet plausibel was. De staatssecretaris had dit standpunt voldoende gemotiveerd aan de hand van informatie over de geloofwaardigheid van verklaringen en de context.
Verder stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ten tijde van zijn vertrek uit Irak een reëel risico liep op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. Ook de situatie in Irak bood geen grond voor een verblijfsvergunning op basis van artikel 29 Vreemdelingenwet Pro 2000.
Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.