ECLI:NL:RVS:2013:CA0619
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens ontbreken wettelijke grondslag vertrektermijn
De minister voor Immigratie en Asiel heeft op 18 februari 2011 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de eerdere aanzegging van 17 januari 2007 niet als terugkeerbesluit kan worden aangemerkt, omdat daarin niet is vastgesteld dat het verblijf illegaal is. Hierdoor is het terugkeerbesluit van 18 februari 2011 geen herhaling van een eerdere administratieve vaststelling. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 13 april 2011, waarin het bezwaar werd afgewezen, vernietigd moet worden omdat de staatssecretaris ten tijde van het besluit niet bevoegd was om de vreemdeling een vertrektermijn te onthouden op grond van een vermeend risico op onderduiken.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 13 april 2011 en 18 februari 2011, en herroept het terugkeerbesluit. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het daaropvolgende besluit worden vernietigd en herroepen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het onthouden van een vertrektermijn.