ECLI:NL:RVS:2013:CA0621
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste toepassing Dublinverordening
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen bij besluit van 30 maart 2012. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de voorzieningenrechter onterecht had geoordeeld dat het feit dat zijn echtgenote en zoon de Nederlandse nationaliteit bezitten, betekende dat niet voldaan was aan het vereiste dat ieder gezinslid een asielverzoek moet hebben ingediend volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. Hierdoor zou het beroep op artikel 15 van Pro de Dublinverordening niet slagen. De vreemdeling stelde dat dit beleid in strijd is met de Dublinverordening, omdat die niet alleen ziet op situaties waarin gezinsleden asielzoekers zijn.
De Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak waarin deze rechtsvraag is beantwoord en concludeert dat de grieven van de vreemdeling slagen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep tegen het besluit alsnog gegrond verklaard. Het besluit van 30 maart 2012 wordt vernietigd. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt dat het beleid dat gezinsleden asielzoekers moeten zijn om toepassing van artikel 15 Dublinverordening Pro te rechtvaardigen, niet correct is. Het beschermt daarmee de rechten van vreemdelingen die gezinsleden met de Nederlandse nationaliteit hebben.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd.