ECLI:NL:RVS:2013:CA1284

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201201865/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 83 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onvoldoende motivering overgelegde stukken asielrelaas

De vreemdeling heeft bij de minister een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 30 mei 2011 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het asielrelaas ongeloofwaardig was, zonder de door hem overgelegde stukken te betrekken. Deze stukken bestonden onder meer uit een verklaring van een maatschappelijke organisatie, medische documenten en een aanbevelingsbrief van een lid van het parlement van Mongolië.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet had onderzocht of deze stukken feiten of omstandigheden bevatten die relevant zijn volgens artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit is in strijd met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling waarbij de stukken betrokken moeten worden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

201201865/1/V1.
Datum uitspraak: 21 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 24 januari 2012 in zaak nr. 11/21081 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is. Volgens de vreemdeling is de rechtbank daarbij ten onrechte voorbijgegaan aan de volgende door hem bij brief van 28 oktober 2011 overgelegde stukken ter staving van zijn asielrelaas:
- een verklaring van Just Society Civic Movement van 16 april 2008;
- een Patient Evacuation List van het State Central Clinical Hospital van 6 december 2007;
- een doorverwijzing Patiënt voor Ziekenhuisopname;
- een Recommendation Letter van een lid van de State Great Hural van Mongolië van 22 april 2008.
3. De aangevallen uitspraak geeft er geen blijk van dat de rechtbank heeft onderzocht of voormelde stukken, die de vreemdeling uitdrukkelijk ter staving van zijn asielrelaas heeft overgelegd, feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevatten. Derhalve klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb en artikel 83 van Pro de Vw 2000, zonder motivering aan voormelde stukken is voorbijgegaan.
De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak zal naar de rechtbank worden teruggewezen, opdat zij kan beoordelen of zij voormelde stukken krachtens artikel 83 van Pro de Vw 2000 bij haar beoordeling moet betrekken en zo nodig de staatssecretaris in de gelegenheid kan stellen om over voormelde stukken een standpunt in te nemen.
5. De proceskosten in hoger beroep zullen worden vastgesteld. De rechtbank dient over de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 24 januari 2012 in zaak nr. 11/21081;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel w.g. De Heer
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013
636.