ECLI:NL:RVS:2013:CA1305
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardige geloofsbekering
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 22 maart 2011 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 20 oktober 2011, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde bekering tot het christendom. De staatssecretaris hanteert een vaste gedragslijn waarbij vragen worden gesteld over de motieven, het proces van bekering, kennis van geloofsleer en praktijk, en persoonlijke betekenis van het geloof. De vreemdeling kon basale vragen over de geloofsleer en kerkgang niet adequaat beantwoorden, en gaf op meerdere punten onjuiste en tegenstrijdige verklaringen.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig was. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht rekening hield met de correcties en aanvullingen van de vreemdeling, maar dat het grote aantal onjuiste antwoorden en de mate van onjuistheid een gegrond oordeel van ongeloofwaardigheid rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige geloofsbekering.