ECLI:NL:RVS:2013:CA1364

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201202373/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet beheer rijkswaterstaatswerken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering vergunning mosselzaadinvanginstallatie

De minister van Verkeer en Waterstaat weigerde op 21 juni 2010 een vergunning voor het plaatsen en behouden van een mosselzaadinvanginstallatie (mzi) in de Oosterschelde. De aanvrager, hierna wederpartij, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 12 oktober 2010 werd afgewezen. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van 12 oktober 2010.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep van de staatssecretaris en oordeelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden door te stellen dat compensatie aan de wederpartij had moeten worden geboden, terwijl dit niet was aangevoerd. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank.

De Afdeling stelde vast dat de gronden van beroep van de wederpartij door de rechtbank waren afgewezen en dat de wederpartij hiertegen geen hoger beroep had ingesteld. Daarom verklaarde de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2010 ongegrond en wees het beroep van de wederpartij af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2013.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201202373/1/A4.
Datum uitspraak: 29 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen: de minister van Verkeer en Waterstaat),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 januari 2012 in zaak nr. 10/987 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd te [plaats],
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2010 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat de door [wederpartij] gevraagde vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het plaatsen en behouden van een mosselzaadinvanginstallatie (hierna: een mzi) ten behoeve van het invangen van mosselzaad ter plaatse van het Mastgat 15 in de Oosterschelde, geweigerd.
Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2010 met aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 26 januari 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 oktober 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. Goeyers, P.C. Begthel en J.M.M. Kouwenhoven, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister van Verkeer en Waterstaat terecht de vergunning heeft geweigerd voor een mzi ter plaatse van het Mastgat 15. Dit laat volgens de rechtbank echter onverlet dat de minister bij de beslissing op bezwaar had moeten bezien op welke wijze [wederpartij] als experimenteerder met een mzi compensatie had moeten worden geboden om in de gelegenheid te worden gesteld haar investering terug te kunnen verdienen.
2. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te overwegen dat [wederpartij] compensatie had moeten worden geboden, nu [wederpartij] dit niet heeft aangevoerd.
2.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet de bestuursrechter uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2.2. [wederpartij] heeft in haar beroepschrift noch ter zitting bij de rechtbank aangevoerd dat de minister van Verkeer en Waterstaat compensatie had moeten bieden om haar investering terug te kunnen verdienen. Desgevraagd hebben partijen ter zitting te kennen gegeven door de overweging van de rechtbank over de plicht tot compensatie voor de minister te zijn verrast. De rechtbank is in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de omvang van het geding getreden door te oordelen dat de minister ten onrechte geen compensatie heeft geboden.
Het betoog slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Zoals blijkt uit haar uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de door [wederpartij] aangevoerde gronden van beroep falen. [wederpartij] heeft tegen dit oordeel geen hoger beroep ingesteld. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2010 van de minister van Verkeer en Waterstaat ongegrond verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 januari 2012 in zaak nr. 10/987;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.
w.g. Slump w.g. Schoppers
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013
578.