ECLI:NL:RVS:2013:CA1990
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende middelen van bestaan
De vreemdeling, van Egyptische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner in Nederland te verblijven. De minister wees dit verzoek op 21 oktober 2010 af vanwege onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de partner van de vreemdeling niet over voldoende middelen beschikte. De minister verwees naar het arrest Chakroun van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat lidstaten een individuele beoordeling moeten maken van het inkomen en dat een gemiddeld inkomen boven de norm relevant is.
De Raad van State oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat de partner niet over stabiele en regelmatige inkomsten beschikte, mede omdat het inkomen van de partner fluctueerde en op sommige momenten onder de bijstandsnorm lag, waardoor mogelijk een beroep op sociale bijstand zou kunnen worden gedaan. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 27 mei 2013 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.