ECLI:NL:RVS:2013:CA1991
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A.M.J. Graat
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling had bij besluit van 23 mei 2012 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen gekregen, met daarnaast een inreisverbod opgelegd. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gedeeltelijk gegrond verklaard door het inreisverbod te vernietigen en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
Het hogerberoepschrift werd echter niet tijdig voorzien van de vereiste grieven tegen de uitspraak van de rechtbank, zoals voorgeschreven in artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De vreemdeling vulde de gronden pas na de termijn aan, maar dit was onvoldoende omdat de wet geen nadere termijn toestaat voor het indienen van grieven.
De Raad van State overwoog dat het de eigen verantwoordelijkheid van de indiener is om tijdig en correct te voldoen aan de wettelijke vereisten, ook bij ziekte van de gemachtigde. De medische verklaring voldeed niet om een uitzondering te rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdige en juiste grieven in het hogerberoepschrift.