ECLI:NL:RVS:2013:CA2046

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201210225/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken gronden tegen inschrijving vertrek met bestemming onbekend

Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft op 9 augustus 2011 ambtshalve in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen dat appellant is vertrokken met bestemming 'onbekend'. Appellant vroeg vervolgens om inschrijving op een briefadres, wat door het college werd afgewezen. Tegen deze besluiten maakte appellant bezwaar, dat door het college werd afgewezen en later ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk en ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroepschrift vermeldde appellant echter geen gronden van het beroep, zoals vereist op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ondanks een schriftelijke waarschuwing en de mogelijkheid om het verzuim te herstellen, werden geen concrete gronden aangevoerd. Ter zitting gaf appellant geen nadere toelichting op het ontbreken van gronden.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af, omdat schadevergoeding slechts mogelijk is indien het beroep gegrond wordt verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 5 juni 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.

Uitspraak

201210225/1/A3.
Datum uitspraak: 5 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], zonder bekende woon- of verblijfplaats,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 oktober 2012 in zaak nr. 12/857 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere.
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college met ingang van die datum ambtshalve in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen dat [appellant] is vertrokken met bestemming ‘onbekend’.
Bij besluit van 27 januari 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om ingeschreven te worden op een briefadres in de gemeente Almere, afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2011 niet-ontvankelijk en het door hem gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2012 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het college het besluit van 26 april 2012 ingetrokken en het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2011 niet-ontvankelijk en het door hem gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2012 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 april 2012 en ongegrond voor zover dat is gericht tegen het besluit van 10 mei 2012. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R. Fox en J. van Dodewaard, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan Pro het beroep ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
[appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift de gronden van zijn hoger beroep niet vermeld. Bij aangetekende brief van 30 oktober 2012 is [appellant] gewezen op dit verzuim en is hij tot en met 27 november 2012 in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
[appellant] heeft binnen de termijn een aantal nadere stukken ingediend. Geen van deze stukken bevat evenwel concrete gronden, zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd geen reden gegeven voor het ontbreken daarvan.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Het verzoek van [appellant] om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van Pro de Awb schadevergoeding slechts mogelijk is indien het beroep gegrond wordt verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.
w.g. Roemers w.g. De Vries
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013
582-721.