ECLI:NL:RVS:2013:CA2838
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid vervolgingsgevaar
De minister heeft op 7 februari 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.
De minister, inmiddels de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde in hoger beroep dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij vanwege zijn werkzaamheden als militair in Irak en zijn samenwerking met de Amerikanen een reële vrees voor vervolging of onmenselijke behandeling had.
De Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter niet had onderkend dat de vreemdeling zelf verklaarde gedurende zeven maanden na ontvangst van een dreigbrief ofwel op een veilige militaire basis verbleef of ondergedoken zat bij zijn oom. Bovendien was onvoldoende gemotiveerd waarom de oom in een klein dorp woonde waar de vreemdeling makkelijk traceerbaar zou zijn.
De Raad stelde vast dat de aanslag met een bermbom niet persoonlijk op de vreemdeling was gericht, hij in de periode na de dreigbrief in Irak bleef en over de weg reisde zonder dat hem iets werd aangedaan, en dat hij zijn werkzaamheden als militair inmiddels had beëindigd. Hierdoor was het beroep van de vreemdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel blijft in stand.