ECLI:NL:RVS:2013:CA2892

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201209822/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • H.W. Groeneweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RWNArt. 2 Besluit verkrijging en verlies NederlanderschapArt. 10 Besluit verkrijging en verlies NederlanderschapArt. 8:57 AwbArt. 8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Nederlanderschap door optie wegens verblijfsgaten

De appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van Emmen om haar verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap door optie niet te bevestigen. De weigering was gebaseerd op het feit dat de appellant gedurende de vereiste periode van vijftien jaar onafgebroken verblijfsgaten had, onder meer tussen 4 juni 2008 en 2 september 2008.

De Raad van State overweegt dat de burgemeester bevoegd is om de verblijfsrechtelijke status te onderzoeken en hiertoe de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan raadplegen. De IND had vastgesteld dat de verleende verblijfsvergunningen niet steeds in aansluiting op elkaar waren verleend, hetgeen door de appellant niet werd bestreden.

De appellant voerde aan dat de verblijfsgaten het gevolg waren van fouten bij het aanvragen van verlenging en dat deze als verschoonbaar moesten worden beschouwd. De Raad oordeelt echter dat deze kwesties in de vreemdelingenrechtelijke procedure aan de orde hadden moeten worden gesteld en dat het niet indienen van rechtsmiddelen tegen de ingangsdata van verblijfsvergunningen voor haar rekening komt.

Daarom is het besluit van de burgemeester om de optieverklaring niet te bevestigen terecht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de burgemeester tot bevestiging van de optieverklaring bevestigd wegens verblijfsgaten.

Uitspraak

201209822/1/V6.
Datum uitspraak: 12 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Emmen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 september 2012 in zaak nr. 12/315 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Emmen (hierna: de burgemeester).
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de burgemeester geweigerd de verklaring van [appellante] ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) te bevestigen.
Bij besluit van 6 september 2011 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Nadat partijen daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN, verkrijgt de vreemdeling die gedurende tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring het Nederlanderschap door een bevestiging als bedoeld in het derde lid.
Ingevolge het derde lid beoordeelt de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.
Artikel 6 van Pro de RWN maakt deel uit van hoofdstuk 3 van de wet, dat ziet op verkrijging van het Nederlanderschap door optie.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit) is in het Europese deel van Nederland de burgemeester bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, voor zover thans van belang, onderzoekt de burgemeester de verblijfsrechtelijke status van de optant.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap oefent de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit opgedragen werkzaamheden uit in overeenstemming met de Handleiding.
Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is van toelating in Nederland sprake indien de optant rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000. De optant dient dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen. De periode van vijftien jaren toelating en hoofdverblijf moet ‘onafgebroken’ zijn. In bedoelde periode mogen derhalve geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijftien jaren te lopen. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument in combinatie met de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie (zonodig in combinatie met de vreemdelingenkaart). In deze situatie zal de burgemeester de IND verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven.
Verder is in de Handleiding vermeld dat of sprake is van een verblijfsgat op zich een vreemdelingrechtelijke vraag is. Verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vindt plaats met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden. Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, is de vergunning op zijn vroegst pas vanaf de datum van de aanvraag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan. Door het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om verlenging wordt hierop een uitzondering gemaakt indien de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. In dat geval is in de toelatingsprocedure de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en in aansluiting op de eerdere vergunning verleend.
2. Niet in geschil is dat [appellante] meer dan drie jaar met een Nederlander is gehuwd en dat zij tenminste vijftien jaar in Nederland heeft verbleven. Evenmin is in geschil dat zich in die periode van vijftien jaar verblijfsgaten voordoen, onder meer gedurende de periode van 4 juni 2008 tot 2 september 2008.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester terecht is uitgegaan van de informatie die de IND hem heeft verstrekt omtrent de verblijfsgaten gedurende welke periodes [appellante] geen rechtmatig verblijf in Nederland had en dat een eventuele discussie over de ingangsdata van de verblijfsvergunningen bij de IND had moeten worden gevoerd. Zij voert daartoe aan dat zij tijdig om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunningen heeft gevraagd, maar wegens in die aanvragen door haar gemaakte fouten opnieuw aanvragen heeft moeten indienen waardoor de verblijfsgaten zijn ontstaan. Zij stelt dat de burgemeester dit niet heeft kunnen controleren, dat onduidelijkheden niet in het voordeel van het bestuursorgaan dienen te worden uitgelegd en dat de verblijfsgaten derhalve als verschoonbaar moeten worden aangemerkt, zodat zij tenminste vijftien jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Voorts stelt zij te zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en dat het telkenmale verlengen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning onnodig bezwarend is en niet van haar mag worden verlangd, te minder nu zij niet voldoet aan de vereisten voor naturalisatie.
3.1. Uit hetgeen hiervoor is weergegeven onder 1, volgt dat de burgemeester de IND kan verzoeken om een bericht omtrent toelating en dat de IND de duur van de onafgebroken toelating beoordeelt aan de hand van de gegevens uit de vreemdelingenadministratie. Uit het bericht omtrent toelating van 13 oktober 2010 van de IND, naar aanleiding van het verzoek van de burgemeester daartoe, volgt dat de aan [appellante] verleende verblijfsvergunningen niet steeds in aansluiting op elkaar zijn verleend, hetgeen zij niet heeft bestreden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester terecht van deze gegevens is uitgegaan. De verblijfsrechtelijke procedure en de onderhavige procedure zijn gescheiden procedures. De vraag of een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht dient te worden verleend omdat de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die een vreemdeling niet zijn toe te rekenen, hoort in beginsel in de vreemdelingrechtelijke procedure thuis. Het had dan ook op de weg van [appellante] gelegen om, indien zij het niet eens was met de ingangsdatum van de haar toegekende verblijfsvergunningen, daartegen een rechtsmiddel aan te wenden en in die procedure de gestelde omstandigheden aan de orde te stellen. Nu zij dit niet heeft gedaan, dienen de gevolgen hiervan voor haar rekening te komen en kan hetgeen zij daarover in deze procedure heeft aangevoerd niet tot het beoogde doel leiden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, aangezien er verblijfsgaten voorkomen in de periode van verblijf van [appellante] hier te lande, de burgemeester de bevestiging van de optieverklaring terecht heeft geweigerd, omdat zij niet voldoet aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Dat [appellante] het bezwaarlijk acht om aanvragen om verdere verlenging van haar verblijfsvergunning in te dienen, wat daarvan zij, en momenteel niet voldoet aan de vereisten voor naturalisatie, kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien deze omstandigheden de wettelijke vereisten voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie niet opzij kunnen zetten.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013
32-692.