Art. 29 planvoorschriften bestemmingsplan Overschie-DorpArt. 5:37 BWArt. 44, eerste lid, WoningwetArt. 8:69, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging bouwvergunning voor lichtinstallaties op sportterrein ondanks bezwaren bewoners
Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie verleende op 10 mei 2010 een bouwvergunning aan Tennispark OverDeSchie VOF voor het plaatsen van acht lichtmasten van circa 15,5 meter hoog op het perceel Torenlaan 100 te Rotterdam. Bewoners uit de omgeving maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het bestuur ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de bewoners eveneens ongegrond.
De bewoners stelden in hoger beroep dat de bouwvergunning in strijd was met het bestemmingsplan "Overschie-Dorp", met name met artikel 29 vanPro de planvoorschriften, en dat de lichtmasten hinder zouden veroorzaken binnen 50 meter van woningen in strijd met de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" en artikel 5:37 BWPro. De Raad van State oordeelde dat lichtmasten als passende bouwwerken binnen de bestemming "Speel- en Sportterrein" zijn toegestaan en dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Verder werd geoordeeld dat het dagelijks bestuur geen ruimte had om hinderaspecten bij het besluit te betrekken en dat een ander bouwplan dat na overleg was ontstaan niet in de beoordeling kon worden meegenomen omdat geen gewijzigde aanvraag was ingediend. Ten slotte stelde de Raad van State vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geding was getreden door een oordeel te geven over de redelijke eisen van welstand, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidt.
Het hoger beroep van de bewoners werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de bewoners wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201210736/1/A1.
Datum uitspraak: 12 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te Overschie, gemeente Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2012 in zaak nr. 10/5175 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het dagelijks bestuur aan Welltrain Beheer B.V. (thans: Tennispark OverDeSchie VOF) bouwvergunning verleend voor het plaatsen van acht lichtinstallaties op het perceel Torenlaan 100 te Rotterdam (hierna: het perceel).
Bij besluit van 5 november 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H.C.H. Ghijsen en mr. A.M. Poppelaars, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Tennispark OverDeSchie VOF, vertegenwoordigd door P.W.J. Grootscholten, gehoord.
Overwegingen
1. Ter zitting is het hoger beroep van de bewoners van [locaties] ingetrokken.
2. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van acht lichtmasten van circa 15,5 m hoog op het terrein van tennispark Overschie.
3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Overschie-Dorp" rust op het perceel de bestemming "Speel- en Sportterrein".
Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, aangewezen voor "Speel- en sportterrein", bestemd voor sport- en speelvelden met de daarbij behorende ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen, waterlopen en overige in het kader van waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen.
Ingevolge het tweede lid, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, zoals clubgebouwen en kleedgelegenheden, met een goothoogte van niet meer dan 4,5 m, zomede bouwwerken - geen gebouwen zijnde - van waterbouwkundige aard als een brug, een duiker, een steiger, een vlonder.
4. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank, met het dagelijks bestuur, artikel 29, tweede lid, van de planvoorschriften verkeerd heeft uitgelegd. Volgens [appellanten] wordt met dit artikel alleen beoogd bouwwerken toe te staan van waterbouwkundige aard, en kunnen lichtmasten hier niet onder worden verstaan.
4.1. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de planvoorschriften zijn in de bestemming passende bouwwerken toegestaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat lichtmasten bij tennisvelden in de bestemming "Speel- en Sportterrein" passende bouwwerken zijn. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling is, anders dan [appellanten] betogen, niet beoogd slechts bouwwerken van waterbouwkundige aard toe te staan. Uit het woord "zoals" blijkt dat de daarna genoemde voorbeelden niet limitatief zijn bedoeld. Voorts volgt uit het woord "zomede" dat óók bouwwerken van waterbouwkundige aard zijn toegestaan. Dit betekent dat ook andere bouwwerken dan deze, mits passend binnen de bestemming, zijn toegestaan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2004 in zaak nr. 200303902/1 treft geen doel, reeds omdat in die uitspraak het betreffende perceel de bestemming "Woongebied" had en ten aanzien van bouwwerken geen gebouw zijnde een maximale hoogte was opgenomen in de planvoorschriften.
Het betoog faalt.
5. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de bouwvergunning had moeten weigeren omdat de lichtmasten zijn gesitueerd binnen een afstand van 50 m van de nabijgelegen woningen en daarmee in strijd zijn met de in de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de masten in strijd met artikel 5:37 vanPro het Burgerlijk Wetboek hinder toebrengen aan de eigenaren van de aangrenzende percelen slaagt niet, reeds omdat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op het karakter van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, bestond voor het dagelijks bestuur geen ruimte om deze aspecten bij het besluit te betrekken.
6. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte een ander bouwplan, dat na overleg met de vergunninghoudster tot stand is gekomen, niet bij de beoordeling van het besluit heeft betrokken, slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vergunninghoudster geen gewijzigde aanvraag voor dit andere bouwplan heeft ingediend zodat zij dit bouwplan niet in haar beoordeling mocht betrekken.
7. Het hoger beroep van [appellanten] is voorts gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De Afdeling overweegt ambtshalve dat in beroep niet is aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. De rechtbank is door desondanks een oordeel te geven over de redelijke eisen van welstand in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de omvang van het geding getreden. Het betoog slaagt, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het besluit van 5 november 2010 in rechte stand kan houden.
8. Het hoger beroep van [appellanten] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.