ECLI:NL:RVS:2013:CA3595

Raad van State

Datum uitspraak
10 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201303698/1/V3 en 201303699/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 62 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod wegens gebrekkige motivering bij toetreding Kroatië tot EU

De staatssecretaris heeft op 21 maart 2013 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van vijf jaar uitgevaardigd tegen de vreemdeling, die tevens in vreemdelingenbewaring is gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten, dat door de rechtbank Den Haag ongegrond werd verklaard. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank op die punten. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Ten aanzien van het inreisverbod stelde de vreemdeling dat dit niet had mogen worden uitgevaardigd of ten minste had moeten worden bekort tot 1 juli 2013, omdat Kroatië vanaf die datum tot de Europese Unie zou toetreden en het inreisverbod jegens gemeenschapsonderdanen niet is toegestaan. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris dit niet had meegewogen noch gemotiveerd, wat in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom werd het hoger beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.

Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens gebrekkige motivering, de overige besluiten worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

201303698/1/V3 en 201303699/1/V3.
Datum uitspraak: 10 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 april 2013 in zaken nrs. 13/7957 en 13/7958 in de gedingen tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde dag is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Beide besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 10 april 2013 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
De staatssecretaris heeft in zaak nr. 201303699/1/V3 een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring
1. Hetgeen in de eerste en de derde grief van het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring, is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
3. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
Het inreisverbod
4. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris aan hem een inreisverbod voor de duur van vijf jaar mocht uitvaardigen.
Daartoe voert de vreemdeling, voor zover thans van belang, aan dat het zeker is dat Kroatië met ingang van 1 juli 2013 tot de Europese Unie zal toetreden en dat de staatssecretaris niet heeft toegezegd het inreisverbod op dat moment te zullen opheffen. Het inreisverbod had gelet hierop niet moeten worden afgegeven dan wel moeten worden bekort tot 1 juli 2013, aldus de vreemdeling.
4.1. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid. Ingevolge artikel 3:46 van Pro de Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering.
4.2. Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van gehoor bij Terugkeerbesluit en Inreisverbod van 21 maart 2013 heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, bij die gelegenheid verklaard:
" (…) Binnen drie maanden zal Kroatië ook tot de Europese Unie toetreden. (…)"
4.3. Uit voormeld proces-verbaal noch anderszins blijkt dat de staatssecretaris deze omstandigheid bij zijn beoordeling heeft meegewogen.
De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris ingevolge artikel 3:46 van Pro de Awb had moeten motiveren waarom hij in de omstandigheden dat Kroatië op 1 juli 2013 tot de Europese Unie zal toetreden, dat de vreemdeling vanaf dat moment gemeenschapsonderdaan is en dat jegens gemeenschapsonderdanen geen inreisverboden worden uitgevaardigd, geen aanleiding heeft gezien om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod dan wel een inreisverbod voor een kortere duur op te leggen.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin het beroep tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gelet op hetgeen in overweging 4.3 is overwogen, het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod van 21 maart 2013 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigen.
Proceskosten
6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201303699/1/V3, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod, gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 april 2013 in zaak nr. 13/7958, in zoverre;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 21 maart 2013 in die zaak voor zover in dat besluit tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd;
V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
VII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Dokkum
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2013
480-755.